Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het hof verzuimd heeft, ondanks het verweer van de raadsman, nader te motiveren waarom de bewezenverklaarde pleegperiode zich uitstrekt over gedragingen waarvoor reeds een afdoening heeft plaatsgevonden (een voorwaardelijk sepot). Het
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaarde pleegperiode niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. In het middel wordt voorts geklaagd dat de bewijsmiddelen zien op gedragingen waarvoor de verdachte reeds is gestraft, of zien op gedragingen die reeds op een andere wijze zijn afgedaan. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
alsverklaring van [slachtoffer]:
als verklaring van verdachte:
op tijdstippen in of omstreeks de periodevan 1 juni 2012 tot en met 21 augustus 2013” (cursivering van mij, EH) schuldig heeft gemaakt aan de mishandelingen van de aangeefster. Daaruit volgt reeds (en gelukkig maar) dat de verdachte zich niet in de gehele periode voortdurend schuldig heeft gemaakt aan dit feit. Bovendien betekent de bewezenverklaring die een pleegperiode inhoudt niet dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht. [3] De in het middel vervatte klacht dat het hof een veroordeling heeft uitgesproken ten aanzien van een feit dat reeds (voorwaardelijk) is afgehandeld, mist derhalve feitelijke grondslag.