ECLI:NL:PHR:2016:1279

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 november 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
15/03236
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 EVRMArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 41.2 Wet op het accountsberoepArt. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verenigingsdwang en eigendomsrecht accountantstitel in relatie tot EVRM

In deze zaak stond centraal of de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) kan worden aangemerkt als een vereniging in de zin van artikel 11 EVRM Pro en of de verplichte inschrijving in het NBA-register een onrechtmatige inbreuk vormt op het eigendomsrecht van de accountantstitel zoals beschermd door artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.

De verdediging voerde aan dat de NBA als vereniging beschouwd moet worden en dat de verplichte inschrijving neerkomt op ongeoorloofde verenigingsdwang, alsmede een schending van het recht op ongestoord genot van eigendom. Het hof oordeelde dat de NBA geen vereniging is, omdat het een bij wet ingestelde beroepsorganisatie betreft met publieke taken en algemene belangen, en wees het beroep af.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht de NBA niet als vereniging kwalificeerde en dat het beroep op artikel 11 EVRM Pro faalt. Daarnaast wees de Hoge Raad het beroep af dat de registratieplicht strijdig zou zijn met het eigendomsrecht onder artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM, omdat dit verweer onvoldoende onderbouwd was en het hof niet verplicht was om halfbakken verweren ambtshalve aan te vullen.

De conclusie van de Procureur-Generaal onderschreef deze afwijzing en benadrukte dat een eventuele inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd kan zijn indien deze in het algemeen belang is en volgens de wet plaatsvindt.

Uitkomst: Het beroep tegen het oordeel dat de NBA geen vereniging is en de registratieplicht niet in strijd is met het EVRM wordt verworpen.

Conclusie

Nr. 15/03236
Zitting: 22 november 2016
Mr. A.E. Harteveld
Aanvullende conclusie inzake:
[verdachte]
1. In de onderhavige zaak heb ik eerder, voor de zitting van 8 november 2016, geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Inmiddels ben ik erop attent gemaakt dat ik in die conclusie abusievelijk geen aandacht heb besteed aan het tweede cassatiemiddel dat namens de verdachte is voorgedragen. Met verontschuldiging voor die omissie zal ik dat middel thans alsnog bespreken.
2. Het
tweede middel
2.1. Het middel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv Pro, waarbij een beroep is gedaan op art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Voorts bevat het middel de klacht dat het hof niet heeft aangegeven op welke jurisprudentie het zich heeft gebaseerd bij de verwerping van het beroep op art. 11 EVRM Pro.
2.2. De eerste klacht van dit middel staat in zeker verband met de door mij al in mijn conclusie besproken tweede klacht die in het (eerste) middel was vervat. De onderhavige klacht neemt als uitgangpunt dat ter terechtzitting van het hof door de raadsman een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over schending van art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
2.3. Blijkens de pleitnota van de raadsman [1] is bij het hof met betrekking tot de voornoemde bepaling het volgende aangevoerd:
“14. Daarnaast betekent de koppeling van accountantstitels aan de verplichte inschrijving in het ledenregister van NBA voorheen Nivra/NOvA een extreme vorm van indirecte verenigingsdwang voor Nederlandse accountants door verlies van het eigendomsrecht op die titel. Zo ontstaat ook strijdigheid met artikel 1 van Pro het Protocol Nr. 1 EVRM inzake het recht op ongestoord genot van eigendom.”
2.4. Het enige dat aldus is aangevoerd is dat de registratieplicht voor accountants ‘strijdigheid’ oplevert met het door art. 1 van Pro het Protocol beschermde recht op ongestoord genot van de – als eigendom aangemerkte - accountantstitel. Een specifiek op dat punt toegesneden overweging ontbreekt inderdaad in het arrest. Het lijkt mij dat het hof het gestelde kennelijk niet als een (afzonderlijk) uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft opgevat, hetgeen mij niet onbegrijpelijk voorkomt. Enige onderbouwing van de ingenomen stellingname ontbreekt immers. In dit verband, maar in wezen ten overvloede, merk ik op dat, zo al geconstrueerd zou kunnen worden dat een inbreuk is gemaakt op het recht op ongestoord genot van de eigendom, de volgende vraag zou moeten zijn of een dergelijke inbreuk is gerechtvaardigd door de werking van het tweede lid van art. 1, Eerste Protocol. [2] Het gestelde in de pleitnota raakt dat punt in genen dele, dus een gerechtvaardigde vraag is wat de rechter met een dergelijk verweer aan zou moeten. Een verplichting van de rechter om halfbakken verweren ambtshalve aan te vullen kan aan het recht niet worden ontleend. De klacht faalt.
2.5. De tweede klacht richt zich uitsluitend tegen de motivering van ’s hofs beslissing en kan daarom buiten (verdere) bespreking blijven. [3] Op de klacht die wel is gericht tegen de beslissing van het hof zelve ben ik in mijn eerdere bespreking van het (eerste) middel uitgebreid ingegaan.
3. Het tweede middel faalt eveneens en kan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
4. Deze aanvullende conclusie strekt tot handhaving van mijn eerdere conclusie dat het beroep dient te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Reeds geciteerd in mijn eerdere conclusie, onder 3.2.
2.Art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM luidt in de Engelse tekst aldus:
3.Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 8e druk, p. 212.