ECLI:NL:PHR:2016:1280

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
20 december 2016
Zaaknummer
15/02724
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 27 SrArt. 437 SvArt. 588 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. Verdachte stelde beroep in cassatie in, maar diende geen schriftuur met middelen van cassatie in binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep is rechtsgeldig betekend aan het GBA-adres van verdachte en zijn raadsvrouwe.

De Procureur-Generaal concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens het niet in acht nemen van art. 437, tweede lid, Sv. De mededeling van betekening aan de advocaten en de griffier vond plaats conform de wettelijke voorschriften. Een kantoorgenoot van de raadsman gaf aan dat geen middelen zullen worden ingediend.

Hierdoor kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet ontvankelijk verklaren en wordt het beroep van verdachte niet inhoudelijk behandeld. De strafrechtelijke veroordeling door het hof blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 15/02724
Zitting: 15 november 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 juni 2015 de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (15/02726 P) en met de strafzaak (nr. 15/02727) en de ontnemingszaak (nr. 15/02729 P) tegen de medeverdachte [medeverdachte], waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 14 december 2015 tevergeefs aangeboden aan het GBA-adres [1] van de verdachte. Vervolgens is de aanzegging - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 30 december 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Daarbij is voldaan aan de vijf-dagentermijn in de zin van art. 588, derde lid, onder c, Sv. Voorts is op 30 december 2015 een afschrift van de aanzegging verzonden naar het GBA-adres van de verdachte. Het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte komt overeen met diens GBA-adres. Bovendien is zowel op 30 december 2015 als op 1 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsvrouwe van de verdachte. [2] Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder c, Sv, rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP).
2.De eerste mededeling betekening is verzonden naar mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, terwijl de tweede mededeling betekening is verzonden naar mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die de zaak in cassatie heeft overgenomen van mr. Frerix. Bij faxbericht van 25 februari 2016 heeft een kantoorgenoot van mr. Van der Hut (mr. E.M. Witjens) meegedeeld dat hij in deze zaak geen middelen van cassatie zal indienen.