Conclusie
middelklaagt met twee deelklachten over de hoogte van de door het hof opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam de betrokkene veroordeeld tot betaling van €9.023,- ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstal van horloges. Het hof schatte het voordeel op 30% van de verkoopwaarde en bracht slechts een derde van de toegekende schadevergoeding in mindering, terwijl de betrokkene niet hoofdelijk aansprakelijk was voor de volledige schadevergoeding.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof abusievelijk slechts een derde van het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel in mindering heeft gebracht en dat het gehele bedrag, inclusief de wettelijke rente, in mindering dient te worden gebracht op het ontnemingsbedrag. Het hof had bovendien moeten bepalen dat ook de wettelijke rente over de toegewezen schadevergoeding in mindering komt, maar dat bedrag kon niet concreet worden vastgesteld.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het de betalingsverplichting betreft en stelt het ontnemingsbedrag vast op €9.023,-. De betrokkene blijft verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De uitspraak benadrukt tevens de mogelijkheid voor de betrokkene om op grond van art. 577b lid 2 Sv vermindering van het ontnemingsbedrag te verzoeken.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €9.023,- en corrigeert de mindering van schadevergoeding en wettelijke rente.