Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Rappange”) – kort gesteld – betaling door [NR] van een factuur van Rappange. In reconventie vorderde [NR] onder meer schadevergoeding. In het vonnis van 22 december 2010 is [NR] in conventie veroordeeld tot betaling aan Rappange van € 56.645, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 januari 2009 en met de beslagkosten en de proceskosten. In reconventie is [NR] in de gelegenheid gesteld een akte te nemen over het causaal verband en de omvang van de schade als gevolg van de tekortkoming van Rappange;
3.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
eerste klachtwordt betoogd dat het hof ten onrechte in rov. 2.9 heeft geoordeeld dat er in deze zaak geen omstandigheden zijn die aan NR als benadeelde kunnen worden toegerekend. Het hof heeft daarmee miskend dat de aanvaarding van (ondernemers)risico’s een omstandigheid is die naar verkeersopvattingen voor rekening van NR komt. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus de
tweede klacht.
derde klachtklaagt over een door het hof in rov. 2.7.6 gemaakte rekenfout, die tot een onjuist bedrag in het dictum leidt. Torn heeft zich in haar schriftelijke toelichting op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.