Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
bewijskracht(onderstreping A-G) van de aanvullende arbeidsovereenkomst waarin ten opzichte van de koopovereenkomst afwijkende afspraken zijn opgenomen. In rov. 3.5 oordeelt de Hoge Raad dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven.
a contrariokan worden gesteld dat wanneer de Hoge Raad een bestreden uitspraak vernietigt, de Hoge Raad dus oordeelt dat bij een herbeoordeling door de verwijzingsrechter er niet een andere grond in de bestreden uitspraak kan zijn waarop de vordering na verwijzing alsnog op kan worden afgewezen [11] .
motiveringsklacht, die uiteenvalt in drie subklachten.
ondanks de vrijwaring in de koopovereenkomst(A-G: vet weergegeven in de cassatiedagvaarding) met de aanvullende arbeidsovereenkomst een pensioentoezegging met een backserviceverplichting als door [eiser] gesteld, zijn overeengekomen en dat het hof Leeuwarden deze overwegingen in rov. 16 van het arrest van 31 augustus 2010 tot de zijne heeft gemaakt. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat in het licht van die overwegingen van rechtbank en hof onbegrijpelijk is “hoe het Hof Arnhem heeft kunnen oordelen dat die uitspraken aldus moeten worden geduid dat daarin is beslist dat de vordering van [eiser] hoe dan ook reeds (dat wil zeggen: als zelfstandig dragende grond) afstuit op een ten gunste van Grapofex in de koopovereenkomst bedongen vrijwaring. Zulks omdat die instanties - de Rechtbank en het Hof Leeuwarden - nu juist hebben beslist dat naast (die vrijwaring in) de koopovereenkomst wel degelijk daarvan afwijkende afspraken gemaakt konden zijn, waarin luce clarius besloten ligt dat de uitspraken van zowel de Rechtbank als het Hof Leeuwarden klaarblijkelijk aldus begrepen moeten worden dat daarin de vrijwaring in de koopovereenkomst juist niet als zelfstandig dragende grond voor afwijzing van de vordering van [eiser] is aangemerkt.”
Dit klemt te meer nu dit element uit de aanvullende arbeidsovereenkomst haaks stond op de in de koopovereenkomst onder 7.4. opgenomen bevrijdende werking jegens het Efka concern waar het de pensioentoezeggingen betrof(curs. A-G) en bovendien de aanvullende overeenkomst werd geparafeerd door een niet Nederlands sprekend vertegenwoordiger van Ciba. Onder die omstandigheden mochten [eiser] en [betrokkene] er niet op vertrouwen dat de wil van Grapofex was gericht op de totstandkoming van de aanvullende overeenkomst voor zover deze zou leiden tot een zeer omvangrijke backservice verplichting voor Grapofex. Dat in artikel 7 lid 1 eerste Pro zin van de arbeidsovereenkomst wordt verwezen naar de aanvullende arbeidsovereenkomst maakt dit niet anders. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] en [betrokkene], waar het de backservice verplichting betreft (lb- e), dienen te worden afgewezen.”
in strijd methet vrijwaringsbeding. Daaruit kan dan, anders dan de subklacht betoogt, niet worden geconcludeerd dat de overweging van de rechtbank met betrekking tot de vrijheid van het maken van met de koopovereenkomst afwijkende afspraken in de aanvullende arbeidsovereenkomst een beletsel vormt voor het standpunt van het verwijzingshof dat Grapofex een rechtsgelding beroep kan doen op het vrijwaringsbeding in artikel 7.4 van de koopovereenkomst.