“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de ten laste van klagers gelegde conservatoire beslagen voor zover deze beslagen als geheel het bedrag van € 602.225,27 te boven gaan en tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het onderhavige klaagschrift in raadkamer, welke kosten forfaitair worden begroot op €540.
(…)
Oordeel rechtbank
Als gesteld en niet weersproken is komen vast te staan dat op rechtmatige wijze ten laste van klager sub 1 voorwerpen conservatoir in beslag zijn genomen en dat de beslagen nog voortduren.
Bij de beoordeling van een klaagschrift tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter te onderzoeken:
a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en
b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verdachte een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
De rechtbank neemt in aanmerking dat het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 27 februari 2015 klager sub 1 uitsluitend heeft veroordeeld ter zake Van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 3 primair, project [A]) en hem van de overige ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank stelt verder vast dat door het Openbaar Ministerie geen cassatieberoep is ingesteld tegen dit arrest en het cassatieberoep van klager sub 1 zich beperkt tot de veroordeling ter zake van feit 3 primair, zodat de strafzaak tegen klager sub 1, voor zover betrekking hebbend op de overige feiten, onherroepelijk tot een einde is gekomen. De vrijspraak van het gedeelte van de tenlastelegging voor zover dat ziet op de criminele organisatie [B]/[C], waarbinnen de facturen van [klaagster 2] de grondslag vormen voor het in de ontnemingszaak gevorderde deelbedrag van € 1.600.000, is daarmee definitief. Derhalve doet zich thans het geval voor dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, betrokkene een verplichting tot betaling ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, waarbij evengenoemd bedrag nog een rol speelt.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beloopt thans, na tussenbeslissing van de rechtbank van 29 november 2013 en de aankondiging verhoging van de ontnemingsvordering door de officier van justitie, in totaal € 829.115,27.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen zij daaromtrent in haar beschikking van 25 maart 2014 reeds heeft overwogen, het laten voortduren van de ten laste van klager sub 1 gelegde beslagen, voor zover deze het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan, bovenmatig en disproportioneel.
De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het beklag gegrond moet worden verklaard voor zover dit de gestelde bovenmatigheid van de gelegde beslagen betreft en het verzoek van klagers tot beperking van de gelegde beslagen moet worden toegewezen in zoverre dat de rechtbank zal gelasten dat de gelegde beslagen zullen worden opgeheven voor zover zij het bedrag van € 829.115,27 te boven gaan. Hieraan kan niet afdoen het standpunt van de officier van justitie dat thans geen sprake meer is van “overbeslag” aangezien de waarde van de conservatoire beslagen door haar wordt geschat op een bedrag van € 666.724,04 (naast een bedrag van € 133.832,34 aan gestorte zekerheden waartegen geen beklag ex artikel 552a Sv mogelijk is), welk bedrag niet uitkomt boven het bedrag dat in het kader van de ontnemingsprocedure van klager sub 1 wordt gevorderd. Immers, bij gelegenheid van de zitting van 14 januari 2016 hebben klagers de (totale) waarde van de gelegde conservatoire beslagen zoals die volgt uit het door de officier van justitie overgelegde overzicht uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden en het zou het bestek van de onderhavige procedure te buiten gaan als de rechtbank zou willen komen tot vaststelling van de waarde van de gelegde conservatoire beslagen.”