Conclusie
1.Feiten en procesverloop
( [1] )heeft de rechtbank Utrecht bepaald dat de man met een bedrag van € 641,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (verder ook te noemen: kinderalimentatie) en met een bedrag van € 2.556,- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (verder ook te noemen: partneralimentatie). De partneralimentatie is bij beschikking van 28 februari 2013
( [2] )van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, verhoogd tot een bedrag van € 2.940,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidigs-beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij de bepaling van de draagkracht van de man neemt het hof een bonusuitkering van € 60.000,- in aanmerking.
( [3] )Naar haar mening moet nog worden uitgegaan van een bonus van € 60.000,- per jaar.
( [4] )een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel hoger beroep.
( [5] )
2.Bespreking van de klachten in cassatie
( [6] )Doet zich bij een inkomensbestanddeel, waarvoor vanwege de voortdurend optredende fluctuaties een gemiddeld bedrag is aangehouden bij de bepaling van de draagkracht, een verandering voor, die een relevante wijziging in de draagkracht teweeg brengt – dat kan een vermindering maar ook een vermeerdering van de draagkracht zijn –, dan bestaat er aanleiding om niet langer vast te houden aan het eerder voor dat inkomensbestanddeel vastgestelde gemiddelde bedrag. Dit geldt te meer wanneer er tegelijkertijd ook veranderingen met betrekking tot andere inkomensbestanddelen veranderingen optreden. Dan ligt het in de reden om bij toepassing van artikel 1:401 BW Pro de draagkracht opnieuw te beoordelen in het licht van wat alle inkomensbestanddelen tezamen op dat moment aan draagdracht opleveren.
( [7] )Uit rov. 5.33 blijkt dat het hof zich van dit uitgangspunt bewust is geweest.
“wijst het meer en anders bepaalde af”.Uitgaande van het dictum alleen zou deze laatste beslissing meebrengen dat ook het verzoek van de man tot verrekening van teveel betaalde partneralimentatie is afgewezen. Leest men echter het dictum in samenhang met de rov. 5.32 en 5.33 dan wordt duidelijk dat dit laatste niet de bedoeling van het hof is geweest. In rov. 5.33 meer naar het eind toe concludeert het Hof:
“Het verzoek van de man zal ten aanzien van de partneralimentatie daarom worden toegewezen.”Dat verzoek heeft het hof blijkens rov. 5.32 aldus te verstaan
“dat hij de eventueel aan de vrouw teveel betaalde alimentatiebedragen mag verrekenen met de toekomstige alimentatiebedragen.”Een en ander voert tot de volgende slotsom. Onder de afwijzing van het meer of anders verzochte in het dictum is niet te begrijpen het verzoek van de man inzake de verrekening van de teveel betaalde partneralimentatie. Het dictum is wat dat betreft te verstaan als mede inhoudende: bepaald wordt dat de man de aan de vrouw teveel betaalde partneralimentatie mag verrekenen met de door hem aan de vrouw verschuldigde toekomstige partneralimentatiebedragen.