Voetnoten
1.Zie het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2015, rov. 3.1.a t/m 3.1.r.
2.Voor zover thans van belang. Zie voor het procesverloop in eerste aanleg het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2014, rov. 1.1 en voor het procesverloop in hoger beroep het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2015, rov. 2.
3.Het hof verwijst voor deze vaststellingen naar de producties 2-5 bij de inl. dagv. alsmede naar prod. 16 bij cvd.
4.Hof: prod 8 cva.
5.Hof: prod. 7 bij inl. dagv.
6.Hof: prod. 4 cva.
7.Hof: prod. 9 cvr in (lees:) conventie.
8.Hof: prod. 10 cvr in conventie.
9.Hof: prod. 6 inl. dagv.
10.Hof: prod. 1 cva en prod. 11 cvd.
11.Zie het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2014, rov. 3.1.
12.Zie het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 januari 2014, rov. 3.1.1.
13.Cva tevens conclusie van eis in reconventie p. 16 en 17.
14.Bij conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte in incident in conventie en reconventie van 15 mei 2013 is de vordering onvoorwaardelijk ingesteld nu door [verweersters] bij conclusie van dupliek niet de gevraagde stukken zijn overgelegd, zie p. 5 onder 13.
15.I tot en met IX en XI en XII. Grief X ontbreekt. In het B-dossier ontbreken de pag. 11 en 12 van de memorie van grieven.
16.De cassatiedagvaarding is op 22 september 2015 uitgebracht.
17.Er zijn twee rov. 3.6.4. Uit het onderdeel blijkt dat het zich richt tegen de eerste.
18.Door de rechtbank aangeduid als NMS c.s.
19.Zie de rov. 3.1.2, 4.3 en 4.4 van het vonnis van de rechtbank van 29 januari 2014.
20.Memorie van grieven, p. 9.
21.Memorie van grieven, p. 10.
22.Memorie van grieven, p. 9-10.
23.Zie de pleitnotities van mr. Van Leeuwen van 21 april 2015, p. 6.
24.Memorie van grieven, p. 11.
25.Memorie van grieven, p. 14.
26.Zie o.a. HR 5 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2866, NJ 1999/644; HR 23 oktober 1998, LJN ZC2748, NJ 2000/15, m.nt. A.R. Bloembergen onder NJ 2000/16. 27.Rapport van Lebecque & Sohet van 20 januari 2011, prod 10 cvr in conventie; rapport van Halyard Survey B.V. van 29 mei 2012 een aangevuld op 28 maart 2013, prod. 1 cva en prod. 11 cvd.
28.Zie de conclusie van antwoord in reconventie onder 7 blz. 3: “dat geen sprake is geweest van enige onjuiste installatie; de betreffende scheepswerktuigkundigen hebben daarvoor en daarna regelmatig cilindervoeringen vervangen zonder dat daarbij problemen zijn opgetreden (…)”.
29.In de dagvaarding onder 84 blz. 25 wordt gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de zuigermantels ovaal waren en dat ze tegelijk met de voeringen vervangen zijn.
30.Stelling van [verweersters] in cvd in conventie onder 33.
31.Toelichting ter comparitie van M.M. van Leeuwen van 17 oktober 2012, p. 3 “Eiseressen willen in staat gesteld worden om zelf een eigen expert een onderzoek te laten doen, en daartoe ook een destructieve materiaaltest te laten doen door een stukje uit de voering te snijden en dat te laten analyseren. (…)”. Zie ook cvr in conventie onder 6 en 7 dat het van belang is dat er een materiaaltest wordt gedaan en dat de experts van Halyard en Lebecque die test nog niet hebben gedaan. Pleitnotities van M.M. van Leeuwen van 22 oktober 2013 p. 11 onder “Het testen van de voeringen”: “Deze objecten hebben geen waarde meer, anders dan als bewijsmateriaal. En dat bewijs moet nog vergaard worden.”
32.Het daartegen gerichte onderdeel 3 faalt (zie hiervoor onder 2.27).
33.Vgl. het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 december 2015 tussen Objective Finance en [verweerster 1], overgelegd als prod. 2 bij de cva in het incident tot zekerheidstelling voor proceskosten en in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.