Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ2007, 611), waarin de Hoge Raad de parameters heeft gegeven die de ondernemingskamer in acht dient te nemen bij het treffen van een onmiddellijke voorziening:
NJ2002, 92). Dit brengt mee dat de ondernemingskamer iedere voorziening van voorlopige aard mag treffen mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken. Het laatste is met name ook het geval als naar het oordeel van de ondernemingskamer een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn. De ondernemingskamer mag, als aan deze voorwaarden is voldaan, derhalve ook voor ten hoogste de duur van het geding een commissaris aanstellen met bijzondere, van bepalingen van dwingend recht afwijkende bevoegdheden, ook als dit betekent dat de algemene vergadering van aandeelhouders en de andere commissarissen daardoor in zoverre tijdelijk buiten spel komen te staan. (…)”
“noodzakelijke slagkracht in de besluitvorming in de algemene vergadering van aandeelhouders (rov. 3.7 van de beschikking)”getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Indien het oordeel van de ondernemingskamer aldus moet worden gelezen dat zij heeft willen voorkomen dat [verweerder] door besluiten van de AvA zou kunnen worden benadeeld, gelet op de doorslaggevende zeggenschap van JKS in dat orgaan (hetgeen volgens JKS c.s. ook met een welwillende lezing niet in de motivering van de beschikking te ontwaren valt), getuigt zulks evenzeer van een onjuiste rechtsopvatting en/of is sprake van een motiveringsgebrek. Om tot een dergelijke bescherming van de belangen van [verweerder] te kunnen komen waren immers minder verstrekkende maatregelen mogelijk geweest, zoals JKS c.s. expliciet hebben verzocht en gemotiveerd.
NJ2002, 556 ( [A] )). Daarnaast geldt dat de ondernemingskamer, in verband met het bepaalde van art. 24 Rv Pro, geen beslissing zal mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd (HR 30 maart 2007,
NJ2007, 293 (ATR Leasing)).