Conclusie
Ter terechtzitting gevoerd verweer
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor het verrichten van taxivervoer zonder vergunning met een limousine. De verdachte stelde dat er geen sprake was van taxivervoer, maar van autoverhuur, omdat de klant een vast bedrag betaalde voor de huur van de limousine en de chauffeur kosteloos reed. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat het feitelijke vervoer van meerdere personen tegen betaling zonder vergunning voldoet aan de definitie van taxivervoer volgens de Wet personenvervoer 2000.
De verdachte voerde ook aan dat zijn vervoer vergelijkbaar was met vervoer bij trouwerijen of uitvaarten, waarvoor geen taxivergunning vereist is. Dit verweer werd eveneens verworpen omdat de uitzonderingsbepaling restrictief moet worden uitgelegd en niet van toepassing is op de activiteiten van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dat de strafrechter in beginsel niet zelfstandig de rechtmatigheid van het bestuursrechtelijke besluit mag toetsen als dit onherroepelijk is geworden, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval was. Het cassatiemiddel werd verworpen en de veroordeling tot een geldboete wegens overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het verrichten van taxivervoer zonder vergunning met een geldboete van € 200.