ECLI:NL:PHR:2016:1395
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen schriftuur middelen
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot veertig maanden gevangenisstraf wegens verkrachting en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend, waarna de termijn voor het indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie op 9 mei 2016 afliep. Gedurende deze termijn heeft de verdachte geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte daarom niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De Procureur-Generaal concludeert dan ook dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep. Deze beslissing betreft een procedurele afwijzing en geen inhoudelijke beoordeling van de strafzaak zelf.
De zaak hangt samen met een andere zaak van een medeverdachte die eveneens aan de Hoge Raad is voorgelegd. De conclusie van de Procureur-Generaal is op 22 november 2016 uitgebracht en betreft het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het cassatieberoep wegens het niet naleven van de wettelijke termijnen voor het indienen van middelen van cassatie.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen.