Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Nilsson vs Zweden, een bestuursrechtelijke schorsing van de rijbevoegdheid van 18 maanden vanwege de ernst ervan als een
“criminal sanction”werd gezien. De inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, heeft de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tot gevolg. Voorts overwoog de Hoge Raad:
.”
Vulhop).”
an sich, nu deze in stand blijven, waar met die besluiten een ASP is opgelegd en de rijbewijzen vanaf de datum van de besluiten ongeldig zijn verklaard, noch herziening of heroverweging van die besluiten voor toewijzing van de onderhavige vordering aan de orde is. Slechts de verdere duur van de uitvoering van die besluiten is naar het oordeel van het hof in het geding (rov. 3.2). Voorts voorziet de bestuurlijke regelgeving volgens het hof niet in (nieuwe) besluitvorming aangaande het ASP-besluit in de stand waarin de ASP-oplegging bij [verweerders] zich bevindt (rov. 3.3). Naar het voorlopig oordeel van het hof is het door het CBR aanhouden van de volle termijn van vijf jaren in het geval van zowel [verweerder 2] als [verweerder 1], gelet op hun huidige situatie, onrechtmatig (rov. 3.6). Het hof verwijst daartoe naar de bedoeling van de wetgever met de ASP-regeling (rov. 3.7) en naar de omstandigheden van [verweerder 2] (rov. 3.8.1-3.8.5) en [verweerder 1] (rov. 3.10.1-3.10.6), waaronder - naast persoonlijke omstandigheden - het feit dat de verplichting aan het ASP deel te nemen in hun geval op ongeldigverklaring van het rijbewijs voor vijf jaren neerkomt, omdat het alternatief van het alcoholslot feitelijk niet (meer) bereikbaar is en zij derhalve behoren tot de gevallen waarover de Afdeling heeft geoordeeld dat de gevolgen van het ASP onevenredig zijn (rov. 3.8.1 en 3.10.2), het feit dat beiden momenteel voor de tweede maal een straf voor het begaan van hetzelfde feit ondergaan (rov. 3.8.3 en 3.10.3), het feit dat het CBR niet heeft aangevoerd waarom het rijbewijs nu niet, maar aan het einde van de vijf jaarstermijn wel kan worden teruggegeven, anders dan dat dit zou volgen uit het ASP-besluit (rov. 3.8.4 en 3.10.5) en het feit dat de minister bij de vervallenverklaring van art. 17 van Pro de Regeling heeft overwogen dat geen nieuwe maatregel wordt opgelegd aan diegenen bij wie de ASP-beslissing nog niet onherroepelijk was geworden, omdat die al wel ten minste zes maanden met de gevolgen van het ASP te maken hebben gehad (rov. 3.8.5 en 3.10.6). Het hof heeft het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, het CBR geboden ervoor zorg te dragen dat binnen zeven dagen na betekening van zijn arrest zowel aan [verweerder 1] als aan [verweerder 2] het rijbewijs wordt teruggegeven zonder (verdere) oplegging van het ASP en zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“klachten”), die deels in meer subonderdelen zijn onderverdeeld.
besluitenvan 17 juli 2012 en 1 juli 2014 blijven immers in stand, waar met die besluiten een ASP is opgelegd en de rijbewijzen vanaf de datum van de besluiten ongeldig zijn verklaard (noch is herziening of heroverweging van die besluiten voor toewijzing van de onderhavige vordering aan de orde). Slechts de verdere duur van de uitvoering van die besluiten is in het geding. [verweerders] vorderen namelijk slechts teruggave
thansvan hun rijbewijzen zonder ASP-oplegging - dus teruggave per heden van hun rijbewijzen niet zijnde 103-rijbewijzen. Dit ziet dus alleen op het thans nog
voortdurenvan de ongeldigverklaringen van de rijbewijzen (de uitvoeringstermijn van de ASP-besluiten), hetgeen zij onrechtmatig achten.”
Heesch/Van de Akker [9] was de formule van de formele rechtskracht juist op die rechtsgeldigheid toegeschreven:
geldigheidvan de beschikking in het voor hem gevoerde geding in geschil is, ervan dient uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dit geldt in beginsel ook dan, indien dit de burgerlijke rechter ertoe zou nopen aan zijn uitspraak de
rechtsgeldigheidten grondslag te leggen van een beschikking waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat zij, als daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd” (cursiveringen toegevoegd; LK).
“een periode vanten hoogstevijf jaren”(onderstreping toegevoegd door het hof) gedurende welke na een ongeldigverklaring geen verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd. Alhoewel het hof dit nergens met zoveel woorden heeft overwogen, was het kennelijk van oordeel dat het niet in strijd was met de jegens [verweerders] genomen ASP-besluiten en met de daaraan door de wet verbonden rechtsgevolgen, indien het CBR reeds voor ommekomst van de bedoelde termijn van vijf jaren de afgifte van nieuwe rijbewijzen zonder beperkingen aan [verweerders] mogelijk zou maken. Ik acht die kennelijk door het hof gevolgde gedachtegang niet juist.
waarop de voor deelname aan het alcoholslotprogramma vastgestelde codering wordt vermeld(art. 103 leden Pro 2 en 3 Reglement rijbewijzen).
“(…) geen verklaring van geschiktheid (wordt) geregistreerd”, als werkelijk zou zijn beoogd het CBR hier een discretionaire bevoegdheid te verlenen om zelf het einde van de in acht te nemen periode te bepalen en om dus, eerder dan na ommekomst van een periode van vijf jaren en zonder dat het alcoholslotprogramma met goed gevolg is afgerond, andere verklaringen van geschiktheid dan die voor deelname aan het alcoholslotprogramma te registreren. Een dergelijke discretionaire bevoegdheid zou ongetwijfeld anders zijn geformuleerd, bijvoorbeeld met de bepaling dat het CBR reeds op grond van de omstandigheid dat nog geen vijf jaren na de ongeldigverklaring zijn verstreken, de registratie van andere verklaringen van geschiktheid dan die voor deelname aan het alcoholslotprogramma kan weigeren.
“ten hoogste”toekenning van een discretionaire bevoegdheid aan het CBR zou zijn beoogd, is dat uit de toelichting op de relevante wijziging van het Reglement rijbewijzen blijkt dat een discretionaire bevoegdheid om reeds
binnende periode van vijf jaren andere verklaringen van geschiktheid dan voor deelname aan het alcoholslotprogramma te registreren, niet is beoogd; wél is in de toelichting sprake van een dergelijke bevoegdheid van het CBR
na ommekomstvan die periode [10] :
“ten hoogste”in art. 97 lid 5 Reglement Pro rijbewijzen (ten overvloede) willen benadrukken dat de gestelde periode van vijf jaren een
eerdereregistratie van een verklaring van geschiktheid niet uitsluit. Daarbij zou kunnen zijn gedacht aan registratie van een verklaring van geschiktheid voor deelname aan het alcoholslotprogramma, of aan het geval dat betrokkene binnen een periode van vijf jaren het alcoholslotprogramma naar het oordeel van het CBR (alsnog) met goed gevolg heeft afgerond. Op dat laatste geval ziet blijkens de toelichting op de relevante wijziging van het Reglement rijbewijzen het gewijzigde art. 97 lid Pro 1 [14] :
“ten hoogste”-formulering die ook in eerdere versies van het Reglement rijbewijzen reeds voorkwam. Zo kan worden gewezen op art. 97 lid 2 van Pro de oorspronkelijke versie van het Reglement rijbewijzen (Stb. 1996, 277):
“(d)e periode gedurende welke in dergelijke gevallen niet tot afgifte van een verklaring van geschiktheidzalworden overgegaan, is gelimiteerd tot drie jaren”(onderstreping toegevoegd; LK), sluit mijns inziens een discretionaire bevoegdheid van het CBR uit.
“Zal”is niet hetzelfde als
“kan”.
“periode van ten hoogste vijf jaren”aan
dieongeldigverklaring koppelt (
“een periode van ten hoogste vijf jaren na die ongeldigverklaring”). In dat verband is van belang dat de WVW onderscheidt tussen de ongeldigverklaring van het rijbewijs bij gebreke van medewerking aan het alcoholslotprogramma (art.
132lid 2), waarvan bijvoorbeeld sprake is als betrokkene niet meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het in zijn auto geïnstalleerde alcoholslot of de kosten van het alcoholslotprogramma niet binnen de gestelde termijn of niet op de voorgeschreven wijze voldoet [16] , en de ongeldigverklaring van het rijbewijs bij het besluit waarbij het CBR betrokkene de verplichting aan een alcoholslotprogramma deel te nemen oplegt (art.
132blid 2). Naar uit de vaststellingen van het hof volgt (de rov. 1.2-1.3), zijn in het onderhavige geval slechts ongeldigverklaringen van de laatstbedoelde categorie aan de orde.
“(h)etzelfde (…) voor degene aan wie (…) op grond van artikel 132b, eerste lid [17] (…) de verplichting is opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma, maar die binnen een periode van vijf jaren na de oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma niet heeft voldaan aan artikel 103, tweede lid of derde lid.”De aanhef van die tweede volzin
“Hetzelfde geldt (…)”slaat naar mijn mening niet mede terug op de zinsnede
“een periode van ten hoogste vijf jaren na die ongeldigverklaring”, omdat (i) in het geval waarop de tweede volzin betrekking heeft,
“die”ongeldigverklaring (van art. 132 lid 2 WVW Pro) niet aan de orde is, (ii) in dat geval weliswaar een ongeldigverklaring is uitgesproken, maar op grond van art. 132b lid 2 WVW, (iii) de tweede volzin niet bij de ongeldigverklaring van art. 132b lid 2 WVW aansluit, maar in plaats van naar die ongeldigverklaring naar de oplegging van het alcoholslotprogramma in art. 132b lid 1 WVW verwijst, (iv) de tweede volzin een “eigen” periode van vijf jaren (
“een periode van vijf jaren na de oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma”) formuleert,
zonderde woorden
“ten hoogste”, en (v) kennelijk een blokkade van de mogelijkheid van registratie van een verklaring van geschiktheid beoogt, zolang betrokkene binnen die (vaste) periode van vijf jaren niet aan de eisen voor deelname aan het alcoholslotprogramma voldoet.
Heesch/Van de Akker:
“klemmende bezwaren”niet verbonden aan de formele rechtskracht, maar aan het feit dat het CBR (zonder dat dit volgens het hof uit de ASP-besluiten voortvloeide en ook zonder dat de wet daartoe dwong) aan de
“volle”periode van vijf jaren vasthield. Voorts heeft het hof aan de bedoelde
“klemmende bezwaren”niet het gevolg verbonden dat op de formele rechtskracht een uitzondering moest worden gemaakt, maar dat het bedoelde gedrag van het CBR, geheel los van de formele rechtskracht van de ASP-besluiten, als onrechtmatig moest worden aangemerkt. De klacht mist daarom feitelijke grondslag.
nietvoldoende, dat zonder formele rechtskracht van een onrechtmatige daad sprake zou zijn.
a fortiorimet die vordering bij de burgerlijke rechter terecht kunnen. Nog daargelaten dat (zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel aan de orde kwam) de bedoelde vaststelling van het hof geen stand houdt omdat de vordering van [verweerders] wel degelijk aan de rechtsgevolgen van de ASP-besluiten (de blokkade van de registratie van verklaringen van geschiktheid) raakt, staat voor [verweerders] mede de weg open van een aanvraag van een verklaring van geschiktheid. De route van een dergelijke aanvraag ligt temeer voor de hand, nu hetgeen [verweerders] willen bereiken (niettegenstaande de bewoordingen waarin het hof de getroffen voorziening heeft vervat, is dat de verstrekking van een nieuw en “schoon” rijbewijs), hoe dan ook niet zonder verklaring van geschiktheid zal kunnen worden gerealiseerd.
regelgevingwenst, volgens de Hoge Raad niet mag worden verlangd dat hij, in plaats van zich onmiddellijk tot de burgerlijke rechter te wenden, een uitspraak van de bestuursrechter over die onverbindendheid uitlokt door de omweg te volgen van een aanvraag van een door hem in werkelijkheid niet gewenste vergunning en van bezwaar en beroep tegen het daarop te nemen besluit, voor zover dat van een
verbindendevergunningseis uitgaat; zie HR 11 oktober 1996 (
Leenders/Ubbergen), ECLI:NL:HR:1996:ZC2169, NJ 1997/165 m.nt. MS. Anders dan in het genoemde arrest aan de orde was, is het vragen van een besluit in de onderhavige zaak geen zinloze omweg en wordt in de onderhavige zaak bovendien niet een uitspraak over (on)verbindendheid van bepaalde regelgeving, maar (in wezen) een opdracht tot het nemen van een besluit van bepaalde strekking gevraagd.
ten hoogstevijf jaren na de ongeldigverklaring geen verklaring van geschiktheid wordt geregistreerd.
onderdeel 3vitiëren de onderdelen 1 en 2 bij gegrondbevinding ook ’s hofs beslissing in rov. 3.6, waarin ligt besloten dat het hof van oordeel is dat het (zonder meer) kon beoordelen of het aanhouden van de volle termijn van vijf jaren vanwege de door het hof genoemde omstandigheden jegens [verweerder 2] en [verweerder 1] onrechtmatig is.
na ommekomstvan de bedoelde periode, verwijs ik naar de hiervóór (onder 2.14) reeds opgenomen citaten uit de memorie van toelichting, waaruit blijkt na ommekomst van de periode van vijf jaren verwerving van een nieuw rijbewijs geen automatisme is, maar dat het CBR zal moeten beoordelen of en onder welke voorwaarden betrokkene weer de beschikking kan krijgen over een rijbewijs (
“Na die vijf jaar is het aan het CBR om te bezien of en onder welke voorwaarden betrokkene weer de beschikking kan krijgen over een rijbewijs.”en
“Na die vijf jaar is het aan het CBR om te beoordelen of het alcoholslotprogramma voor betrokkene een voorwaarde zou moeten zijn voor het opnieuw verkrijgen van een rijbewijs.”).
gedurendede bedoelde periode, kwam hiervóór (onder 2.11-2.16) al aan de orde dat gedurende die periode slechts een verklaring van geschiktheid met de voor het alcoholslotprogramma vastgestelde codering kan worden geregistreerd (en dat van een in die periode afgegeven - nieuw - rijbewijs
“zonder (verdere) oplegging van het ASP”dus geen sprake kan zijn). Voor zover hierover al anders zou moeten worden geoordeeld, meen ik dat minst genomen hetgeen hierboven over de rechtstoestand
na ommekomstvan de periode van vijf jaren werd opgemerkt, mede voor de rechtstoestand
gedurendedie periode heeft te gelden.
“het rijbewijs (…) wordt teruggegeven”mogelijk mede is geïnspireerd door de tekst van de in rov. 1.10 geciteerde toelichting op de wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Daarin schrijft de minister dat aan de door hem bedoelde personen (voor wie de oplegging van het alcoholslotprogramma nog niet onherroepelijk was)
“het rijbewijs (zal) worden teruggegeven”. Daarbij ware echter te bedenken dat aan die door de minister bedoelde teruggave een intrekking van de ongeldigverklaring van het rijbewijs voorafgaat
: “Ten aanzien van alle personen aan wie al eerder het besluit tot oplegging van het asp was opgelegd zal het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs worden ingetrokken en zal het rijbewijs worden teruggegeven.”Een intrekking van de ongeldigverklaring is in de perceptie van het hof echter uitdrukkelijk niet aan de orde:
“noch is herziening of heroverweging van die besluiten voor toewijzing van de onderhavige vordering aan de orde”(rov. 3.2). Zonder intrekking van de ongeldigverklaring is en blijft een ongeldig rijbewijs echter ongeldig, ook als het (in de woorden van het dictum)
“wordt teruggegeven zonder (verdere) oplegging van het ASP”.
criminal chargeoplevert en [verweerder 2] momenteel voor de tweede maal eenzelfde straf ondergaat voor hetzelfde feit, naar in onderdeel 5 is uiteengezet, volgens de Hoge Raad geen rechtvaardiging vormt om op onherroepelijke strafrechtelijke beslissingen terug te komen. De Afdeling heeft volgens het subonderdeel, naar uit de door het hof in rov. 1.9 geciteerde uitspraak volgt, hetzelfde beslist in verband met onherroepelijk geworden ASP-besluiten. Niet valt dan ook zonder meer in te zien waarom de omstandigheid dat sprake is van het voor de tweede maal ondergaan van een straf voor het begaan van hetzelfde feit dat het gevolg is van een onherroepelijke strafrechtelijke beslissing en van een onherroepelijk bestuursrechtelijk besluit, waarop volgens de hoogste strafrechter en hoogste bestuursrechter niet meer behoeft te worden teruggekomen, jegens [verweerder 2] onrechtmatig is.
“(d)oor vorenstaande feiten en omstandigheden tezamen (…) de bezwaren tegen het vasthouden aan het ongeldig blijven van het rijbewijs gedurende de volle termijn van vijf jaren zo klemmend (worden) dat dit, naar voorlopig oordeel van dit hof, onrechtmatig is.”Aan dit onrechtmatigheidsoordeel van het hof ligt de naar mijn mening onjuiste veronderstelling ten grondslag dat het CBR het in zijn vermogen had de periode van vijf jaren te bekorten, kennelijk zonder dat daarvoor een nader besluit van het CBR zou zijn vereist. In de visie van het hof is kennelijk slechts sprake van (feitelijke) uitvoering van de ASP-besluiten (rov. 3.2:
“Slechts de verdere duur van de uitvoering van die besluiten is in het geding”en
“de uitvoeringstermijn van de ASP-besluiten”), terwijl in de zaken van [verweerders] nadere besluiten niet aan de orde zouden zijn (rov. 3.3:
“De bestuursrechtelijke regelgeving voorziet niet in (nieuwe) besluitvorming aangaande het ASP-besluit in de stand waarin de ASP-oplegging bij [verweerders] zich bevindt, zijnde: het ASP is opgelegd, het rijbewijs is ongeldig verklaard en de betrokkene werkt niet mee aan het ASP.”).
nietaan hun vordering ten grondslag hebben gelegd dat art. 97 lid 5 Reglement Pro rijbewijzen onverbindend zou zijn en dat het CBR onrechtmatig zou hebben gehandeld door aan een onverbindende bepaling uitvoering te geven, en het hof zijn onrechtmatigheidsoordeel daarop ook niet heeft gebaseerd; daarbij herinner ik overigens eraan dat de door de Afdeling vastgestelde onverbindendheid tot art. 17 lid 1 Regeling Pro maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 is beperkt.
“ten hoogste”vijf jaren nader dient te bepalen, zou zodanige bepaling een appellabel besluit vormen. In dat geval zou het niet aan de burgerlijke rechter, maar aan de bestuursrechter zijn te oordelen over de bezwaren die aan een in dat geval te maken keuze voor de volle periode van vijf jaren zouden zijn verbonden.
Ten aanzien van alleen [verweerder 1] overweegt het hof voorts:
subonderdelen 9.1-9.3 en 9.5bevatten met betrekking tot de rechtsoverwegingen ten aanzien van (alleen) [verweerder 1] klachten die vergelijkbaar zijn met die van de subonderdelen 8.1-8.4. Evenals de klachten van de subonderdelen 8.1-8.4 zal ik die van de subonderdelen 9.1-9.3 en 9.5 om de hiervóór (onder 2.42) reeds genoemde redenen niet nader bespreken.