ECLI:NL:PHR:2016:1407

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
16/00174
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231 SrArt. 225 SrArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest over uitleg art. 231 Sr inzake Sloveens rijbewijs

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens illegaal verblijf in Nederland en het bezit van een vervalst Sloveens rijbewijs. Het hof oordeelde dat het vervalste Sloveense rijbewijs geen identiteitsbewijs was als bedoeld in art. 231 Sr Pro, omdat de verdachte niet woonachtig was in Nederland, en sprak hem vrij van die tenlastelegging.

De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in tegen het ontslag van rechtsvervolging voor het bezit van het vervalste rijbewijs. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een te beperkte uitleg gaf aan art. 231 Sr Pro door het Sloveense rijbewijs niet als identiteitsbewijs te erkennen zonder voldoende motivering. De Hoge Raad benadrukte dat een rijbewijs onder de Wet op de identificatieplicht als identiteitsbewijs kan gelden, mits de houder woonachtig is in Nederland.

Omdat de verdachte niet woonachtig was, achtte het hof het niet onbegrijpelijk dat het rijbewijs niet als identiteitsbewijs werd aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde het arrest echter deels en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van de tenlastelegging en strafoplegging. De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn eigen cassatieberoep wegens het ontbreken van middelen.

De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen art. 225 Sr Pro en art. 231 Sr Pro en benadrukt dat art. 231 Sr Pro een specialis is die niet letterlijk alle bestanddelen van art. 225 Sr Pro bevat, maar wel een specifieke regeling biedt voor identiteitsbewijzen en reisdocumenten. Het hof moet bij hernieuwde beoordeling rekening houden met de woonplaats van de houder van het rijbewijs.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest deels en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling; verdachte is niet-ontvankelijk in eigen cassatieberoep.

Conclusie

Nr. 16/00174
Zitting: 29 november 2016
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 19 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde is de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging.
Zowel de verdachte als de advocaat-generaal bij het hof heeft tijdig tegen dit arrest beroep in cassatie doen instellen respectievelijk ingesteld. Blijkens de daarvan opgemaakte akte richt het beroep van de advocaat-generaal zich enkel tegen het ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv, dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep te worden verklaard.
Namens het openbaar ministerie heeft mr. M. van der Horst, advocaat-generaal bij het ressortsparket, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middel van het Openbaar Ministeriebevat in de eerste plaats de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een Sloveens rijbewijs niet een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht is, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd.
Het hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
"hij op 14 juli 2014 te Rotterdam in het bezit was van een rijbewijs, te weten een Sloveens rijbewijs op naam van [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1977 (Slovenië) waarvan hij wist dat het rijbewijs vervalst was, bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat het rijbewijs qua detaillering, productie- en beveiligingstechnieken niet overeen komt met een origineel rijbewijs van Slovenië van dit model en het documentnummer is aangebracht middels een afwijkende techniek ten opzichte van het documentnummer welke is aangebracht in een origineel rijbewijs van Slovenië van dit model."
7. Onder de kop "Strafbaarheid van het bewezen verklaarde" heeft het hof - voor zover voor beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:
"Het onder 2 bewezenverklaard levert geen strafbaar feit op.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Een Sloveens rijbewijs is niet een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang als bedoeld in artikel 231 Wetboek Pro van Strafrecht. Nu niet ten laste is gelegd dat het vervalste Sloveense rijbewijs bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, is artikel 225 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht niet van toepassing. De verdachte dient ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ontslagen te worden van alle rechtsvervolging."
8. Art. 231 Sr Pro luidt en luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit als volgt:
"1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijke gebruikmaakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.
3. Artikel 225, derde lid, is van overeenkomstige toepassing."
9. Art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht (Wid) luidt en luidde ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt:
"1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:
1⁰ een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet;
2⁰ de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;
3⁰ een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;
4⁰ een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van Pro die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen."
10. Ingevolge sub 4 van het eerste lid van art. 1 Wid Pro is als algemeen identiteitsbewijs erkend "een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van Pro die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder". Gelet hierop is het voorhanden hebben van een dergelijk rijbewijs waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, strafbaar gesteld in art. 231, tweede lid, Sr.
11. Het hof heeft, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, vastgesteld dat de verdachte wist dat hij in het bezit was van een vervalst Sloveens rijbewijs, welke was voorzien van een pasfoto. Zoals de advocaat-generaal bij het ressortsparket terecht heeft opgemerkt in de schriftuur is het een feit van algemene bekendheid dat Slovenië sinds 1 mei 2004 lid is van de Europese Unie. Een Sloveens rijbewijs is derhalve in principe afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen. Het hof heeft evenwel geoordeeld dat een Sloveens rijbewijs niet is een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Dat oordeel is in zijn algemeenheid onjuist. In het licht van het voorgaande sluit ik echter niet uit dat het hof bedoeld heeft te zeggen dat de verdachte niet in Nederland woonachtig is, zodat om die reden in de onderhavige zaak geen sprake is van een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 Wid Pro. Indien de overweging van het hof in die zin wordt verstaan, acht ik bedoeld oordeel van het hof niet onbegrijpelijk op grond van het navolgende. [1]
12. Volgens de Tweede nota van wijziging bij de vervanging van de Wegenverkeerswet 1992 komt de zinsnede "een rijbewijs [dat is] afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is" (of een soortgelijke formulering) ook voor in de Wegenverkeerswet 1994 en is deze ingevoegd om te voldoen aan Richtlijn 91/439/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs. Deze Richtlijn voorziet volgens die Tweede nota van wijziging "onder meer in de faciliteit dat de houder van een door een Lid-Staat afgegeven rijbewijs, die zich in een andere Lid-Staat vestigt, met zijn in de Lid-Staat van herkomst afgegeven rijbewijs aan het verkeer in de Lid-Staat van vestiging mag deelnemen zonder dat hij verplicht is om dat rijbewijs om te wisselen in een rijbewijs van de Lid-Staat van vestiging." [2] Door de invoeging van voornoemde zinsnede is telkens beoogd om de betreffende bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 gelijkelijk van toepassing te doen zijn ten aanzien van rijbewijzen die zijn afgegeven door andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen, waarvan de houder zich in Nederland heeft gevestigd. [3] De wetgever heeft derhalve met “het woonachtig zijn in Nederland” gedoeld op personen die zich in Nederland hebben gevestigd. Nu de zinsnede in art. 1, eerste lid onder 4, Wid gelijkluidend is aan de zinsnede telkens opgenomen in de Wegenverkeerswet 1994, ga ik ervan uit dat hieraan diezelfde betekenis kan worden toegekend.
13. De verdachte is door het hof veroordeeld wegens het op 14 juli 2014 als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard, zodat niet gezegd kan worden dat de verdachte op die datum in Nederland gevestigd was. Voorts leert een blik over de papieren muur dat de verdachte volgens de ID-staat SKDB vanaf 4 september 2002 geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gehad. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij na zijn uitzetting in 2013, waaraan hij overigens zou hebben meegewerkt, naar Nederland is gekomen om voor zijn zieke moeder te zorgen en bij haar heeft verbleven, maar dat maakt mijns inziens nog niet dat hij op dat moment woonachtig in Nederland was in de zin van art. 1 Wid Pro; het illegaal in Nederland verblijven is niet synoniem aan woonachtig zijn in Nederland.
14. Voor zover het middel over het voorgaande klaagt, faalt het.
15. In de tweede plaats klaagt het middel dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat art. 225, tweede lid, Sr niet van toepassing is.
16. Art. 225 Sr Pro luidt en luidde ten tijde van het bewezenverklaarde als volgt:
"1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valse of vervalste geschrift als ware het echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
3. Indien een feit, omschreven in het eerste of tweede lid, wordt gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt de op het feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd."
17. Blijkens de hierboven onder 7 weergegeven overweging van het hof, is het hof van oordeel dat nu niet is tenlastegelegd dat het vervalste Sloveense rijbewijs
bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, art. 225 Sr Pro niet van toepassing is.
18. In de Memorie van Toelichting bij de laatste wetswijziging van art. 231 Sr Pro heeft de minister van Veiligheid en Justitie opgemerkt dat ten aanzien van valse of vervalste documenten die niet erkend zijn als identiteitsbewijzen, en die derhalve niet onder de werkingssfeer van art. 231 Sr Pro vallen, vervolging op grond van art. 225 Sr Pro mogelijk is. [4] Voorts houdt deze Memorie van Toelichting nog het volgende in met betrekking tot de verhouding tussen art. 231 Sr Pro en art. 225 Sr Pro:
" Zoals het College terecht constateert, komen niet alle bestanddelen uit het aangepaste artikel 231 Sr Pro letterlijk overeen met de bestanddelen, die zijn opgenomen in artikel 225 Sr Pro. In artikel 225, eerste lid, Sr wordt bijvoorbeeld gesproken over «een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen» en in het aangepaste artikel 231 Sr Pro over «een identiteitsbewijs» en «een reisdocument». In die zin is van een zuivere logische specialis geen sprake. Dat neemt niet weg dat de stelling verdedigd kan worden dat de specialis van artikel 231 Sr Pro, zij het niet letterlijk, alle bestanddelen van artikel 225 bevat Pro plus nog enkele andere, en als een logische specialis ten opzichte van artikel 225 Sr Pro kan worden beschouwd. De bestanddelen «een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen» uit artikel 225, eerste lid, die het College in artikel 231 Sr Pro mist, zijn verdisconteerd in het bestanddeel «een reisdocument of een identiteitsbewijs». Onder geschrift dient volgens de wetsgeschiedenis, zoals ook in de toelichting op artikel I, onder A, is beschreven, te worden verstaan «een weergave van al dan niet dadelijk leesbare tekens die in min of meer duurzame vorm zijn vastgelegd». Een identiteitsbewijs en een reisdocument voldoen aan deze definitie. Bovendien is dit geschrift «bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen», zoals artikel 225 vereist Pro. Volgens vaste jurisprudentie heeft een geschrift bewijsbestemming indien het in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Een identiteitsbewijs en een reisdocument dienen in het maatschappelijk verkeer ter ondersteuning van het bewijs van de identiteit van betrokkene." [5]
19. Evenals een identiteitsbewijs en een reisdocument is een rijbewijs te beschouwen als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen [6] , zodat het bestanddeel "een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen" uit art. 225 Sr Pro is verdisconteerd in het bestanddeel "een rijbewijs". Het hof heeft overwogen dat "[nu] niet ten laste is gelegd dat het vervalste Sloveens rijbewijs bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, is artikel 225 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht niet van toepassing”. In deze overweging ligt, lijkt mij, besloten ’s hofs oordeel dat het Sloveens rijbewijs op zich wel als een geschrift als bedoeld in art. 225, tweede lid, Sr kan worden aangemerkt, maar dat dit artikel toepassing mist omdat het daarin opgenomen bestanddeel "een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen" in de tenlastelegging ontbreekt. Deze overweging aldus verstaan, is het hof door te overwegen dat art. 225, tweede lid, Sr niet van toepassing is omdat niet is tenlastegelegd dat het vervalste Sloveense rijbewijs bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
20. Het middel slaagt.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn cassatieberoep, vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof heeft tevens geoordeeld dat een Sloveens rijbewijs niet een reisdocument is en evenmin een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang als bedoeld in art. 231 Wetboek Pro van Strafrecht. Daarover wordt niet geklaagd, zodat ik dat (mijns inziens niet onbegrijpelijk) oordeel verder buiten bespreking laat.
6.Zie HR 6 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AD7151,