ECLI:NL:PHR:2016:1421

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2016
Publicatiedatum
24 januari 2017
Zaaknummer
15/05863
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 434 lid 1 SvArt. 552a SvArt. 339 StGB§ 244 Abs. 2 StPO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering en dossieronvolledigheid bij beslagklacht

In deze zaak betrof het een beklag tegen beslaglegging op grond van artikel 94a Sv. De rechtbank had het beklag gegrond verklaard omdat de officier van justitie niet alle stukken over het beslag had overgelegd, waardoor de rechtbank de grondslag van het beslag niet kon toetsen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank het toepasselijke toetsingskader heeft miskend door zich te baseren op de omissie van de officier van justitie zonder voldoende motivering waarom het verzoek tot aanhouding van de zaak om het dossier te completeren niet kon worden ingewilligd.

De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie en vergelijkbare buitenlandse rechtspraak die benadrukt dat de rechter voldoende tijd en middelen moet hebben om een zaak op rechtmatige wijze te behandelen, en dat het niet tijdig aanleveren van stukken door het Openbaar Ministerie niet zonder meer tot gegrondverklaring van het beklag mag leiden. De rechtbank had onvoldoende gemotiveerd waarom het verzoek tot aanhouding niet kon worden gehonoreerd.

Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift met inachtneming van het juiste toetsingskader en een volledig dossier. Ambtshalve zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor herbehandeling met een volledig dossier.

Conclusie

Nr. 15/05863 B
Zitting: 29 november 2016
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[klaagster]
Bij beschikking van 22 september 2015 heeft de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht het beklag, strekkende tot teruggave van een bedrag van € 50.000 gegrond verklaard en de teruggave gelast van dat bedrag aan klaagster.
De advocaat-generaal mr. H.H.J. Knol heeft in zijn hoedanigheid van plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Limburg één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelhoudt in dat de rechtbank, door te oordelen dat het beklag gegrond moet worden verklaard omdat de officier van justitie heeft nagelaten het procesdossier te fourneren en de rechtbank om die reden de grondslag van het beslag niet kan toetsen, het toepasselijke toetsingskader heeft miskend, althans haar beslissing tot gegrondverklaring van het beslag ontoereikend heeft gemotiveerd.
De bestreden beschikking houdt in - voor zover van belang - :
“3.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat de door hem overgelegde schriftelijke notitie d.d. 21 september 2015 van BOOM voldoende antwoord geeft op de vragen rondom het beslag. De officier van justitie heeft, indien de rechtbank van mening is dat het procesdossier onvolledig is, verzocht om aanhouding van de onderhavige zaak teneinde het dossier te completeren.
(…)
3.3.3.2 De toetsing
De rechtbank stelt vast dat er zijdens het Openbaar Ministerie geen stukken zijn verstrekt rondom de aard en grondslag van het beslag, zoals dat is gelegd op de borgsom als voorwaarde voor een schorsing van de voorlopige hechtenis van [betrokkene]. Door de officier van justitie is in raadkamer niet betwist dat er beslag op de gelden is gelegd, noch dat de gelden aan de klaagster toebehoren.
De officier van justitie heeft nagelaten om het procesdossier te fourneren ondanks daartoe voldoende gelegenheid te hebben gekregen. Om deze reden kan de rechtbank de grondslag van het beslag niet toetsen. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze omissie voor rekening van het Openbaar Ministerie.
De rechtbank zal het beklag dan ook gegrond verklaren en een daarmee overeenkomende last geven.”
5. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt in - voor zover van belang - :
“De officier van justitie brengt naar voren -zakelijk weergegeven-:
Vlak vóór deze zitting heb ik een notitie van BOOM ontvangen. De raadsman heeft tevens een exemplaar van deze notitie ontvangen.
De officier van justitie legt een afschrift van de notitie van BOOM over aan de rechter, zoals gehecht aan dit proces-verbaal.
De rechter deelt mede niet over informatie te beschikken over de wijze waarop beslag is gelegd of over welk type beslag is gelegd. De rechter informeert waarom deze stukken niet aan het procesdossier zijn toegevoegd.
De officier van Justitie brengt naar voren - zakelijk weergegeven-:
Helaas kan ik u deze stukken niet per e-mailbericht doen toekomen. De officier van Justitie, die de notitie van BOOM heeft opgesteld, heeft aangegeven dat het toetsingskader in onderhavige procedure marginaal is en dat er volstaan kan worden met de notitie. Als de rechtbank echter niet kan volstaan met onderhavige notitie, dan is er kennelijk sprake van een breder toetsingskader.
De rechter deelt mede dat louter de notitie van BOOM niet volstaat om het onderhavige klaagschrift volwaardig te toetsen, nu BOOM een procespartij is. De rechter deelt mede dat het procesdossier tevens de stukken omtrent het beslag dient te behelzen.
De officier van Justitie brengt naar voren - zakelijk weergegeven-:
In dat geval verzoek ik om aanhouding teneinde het procesdossier aan te vullen.”
6. Blijkens de door de officier van justitie overgelegde notitie [1] is het onderhavige beslag gelegd op de voet van art. 94a Sv. Ook klaagster gaat daarvan blijkens het klaagschrift uit. Zoals in de toelichting op het middel onder verwijzing naar HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:416 wordt gesteld heeft de rechtbank echter niet de toepasselijke maatstaf [2] toegepast. De vraag is echter of hiermee niet aan het wezen van de onderhavige beschikking voorbij wordt gegaan.
7. Uit de onderhavige beschikking gelezen tegen de achtergrond van hetgeen de officier van justitie en de rechter bij de behandeling in raadkamer over de volledigheid van het dossier hebben opgemerkt spreekt ergernis van de rechter over het niet tijdig en volledig verschaffen van stukken waaruit blijkt op welke voet het beslag is gelegd. De vraag is dus of de rechtbank het beklag gegrond kan verklaren omdat de officier van justitie niet heeft gedaan wat hij heeft moeten en kunnen doen en daardoor de rechtbank nodeloos extra werk bezorgt en de klager langer dan nodig op een beslissing laat wachten.
8. In BVerfG 2 BvR 661/16 (2. Kammer des Zweiten Senats) - Beschluss vom 14. Juli 2016 was de vraag aan de orde of er geen grondwettige bezwaren bestonden tegen de veroordeling van een rechter wegens Rechtsbeugung (339 StGB) omdat hij ondanks andersluidende beslissingen van het Oberlandesgericht in hoger beroep bleef vrijspreken van rijden door rood licht, overschrijding van de maximumsnelheid of rijden met te zwaar belaste voertuigen wanneer een Messprotokoll of een Eichschein bij de stukken ontbrak. Aan die vrijspraken legde de rechter - naast overbelasting - onder meer ten grondslag:
“das Oberlandesgericht habe bei seinen früheren Entscheidungen die Funktion der gerichtlichen Aufklärungspflicht verkannt und die Rollen von Ermittlungsbehörden und Gericht vertauscht. Die Mängel der behördlichen Aktenführung seien nicht vom Gericht zu beheben; dieses habe vielmehr den Betroffenen prozessuale „Waffengleichheit“ mit den Bußgeldbehörden zu gewähren.”
Met zijn vrijspraken beoogde de rechter “die Bußgeldbehörde zu disziplinieren”.
9. In de veroordeling van de rechter wegens Rechtsbeugung zag het Bundesverfassungsgericht geen grondwettige bezwaren, in het bijzonder geen inbreuk op de rechterlijke onafhankelijkheid. De rechter had dus niet de goede weg gekozen om het openbaar ministerie in het gareel te krijgen c.q. te houden. In dit verband is ook niet zonder betekenis dat op de Duitse strafrechter een “Aufklärungspflicht” rust (§ 244 Abs. 2 StPO [3] ), ook in geval de Staatsanwaltschaft in zijn taak is tekortgeschoten. [4]
10. Overigens heeft het Bundesverfassungsgericht wel oog voor de invloed van werkbelasting op de onafhankelijkheid van de rechter:
b) (…) Die Verwirklichung dieser Zielsetzung [die Sicherung und Wahrung der Verantwortlichkeit des Richters und die Achtung von Recht und Gesetz auch durch den Richter selbst ; WHV] setzt jedoch voraus, dass dem zur Entscheidung berufenen Richter ausreichend Zeit zu einer allein an Recht und Gesetz orientierten Bearbeitung des Falles zur Verfügung steht. Nur wenn dies gewährleistet ist, kann der Richter seiner persönlichen Verantwortung gerecht werden. Dabei wird stets die konkrete, subjektive Belastungssituation des Richters in den Blick zu nehmen sein. Eine Orientierung allein an vermeintlich objektiven, durchschnittlichen Bearbeitungszeiten genügt dem nicht.
Insoweit hat das Bundesverfassungsgericht bereits festgestellt, dass das gegenwärtige System der Bewertung richterlicher Arbeit nicht unwesentlich nach quantitativen Gesichtspunkten erfolgt und hierdurch zusätzliche Anreize für eine möglichst rasche Verfahrenserledigung auch unter Inkaufnahme inhaltlicher Defizite schafft (vgl. BVerfGE 133, 168 <172 Rn. 3>). Ebenso hat das Bundesverfassungsgericht - jedenfalls für die Strafjustiz - festgestellt, dass die Länder steigenden Belastungen nicht durch eine entsprechende personelle und sachliche Ausstattung Rechnung getragen haben (vgl. BVerfGE 133, 168 <172 Rn. 3>).”
11. Zolang de beginselen van een goede procesorde niet in het geding komen lijkt mij ook de weg die de rechtbank heeft gekozen niet de goede. Kan in een strafzaak een definitieve beslissing nog worden voorkomen door ter sanctionering van nalatigheid van de officier van justitie diens niet-ontvankelijkheid uit te spreken, in een zaak als de onderhavige bestaat die mogelijkheid niet. Daarom zal de rechtbank andere wegen moeten zoeken om het openbaar ministerie in het gareel te houden en zich in een geding als het onderhavige moeten beperken tot toetsing aan de maatstaven voor het beslag. Het middel klaagt dus op goede gronden dat de rechtbank daaraan is voorbijgegaan.
12. Voorts wordt er terecht over geklaagd dat de rechtbank niet duidelijk maakt waarom aan de officier van justitie niet de door hem verzochte gelegenheid kon worden geboden de stukken aan te vullen. [5] Weliswaar overweegt de rechtbank dat de officier van justitie heeft nagelaten om het procesdossier te fourneren ondanks daartoe voldoende gelegenheid te hebben gekregen, maar waarop deze overweging berust is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de rechtbank reeds voor de behandeling in raadkamer aan de officier van justitie te kennen heeft gegeven dat de door hem overgelegde notitie niet toereikend was om het klaagschrift te beoordelen en hem heeft verzocht het procesdossier te fourneren maar daarvan blijkt niet, ook niet wanneer een blik wordt geslagen in het dossier zoals de griffier van de rechtbank op de voet van het bepaalde in art. 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden.
13. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat de overweging van de rechtbank ook daarom onbegrijpelijk is omdat tussen de indiening van het klaagschrift en de behandeling daarvan in raadkamer niet meer dan ongeveer zes weken was gelegen. [6] Die opvatting deel ik niet. Een dergelijke periode moet immers in zijn algemeenheid lang genoeg zijn om de rechtbank te voorzien van de noodzakelijke gedingstukken.
14. Het middel slaagt.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze notitie bevat het gemotiveerde standpunt van het openbaar ministerie dat het beklag niet gegrond is. Enig stuk waaruit blijkt dat, wanneer en op welke grond beslag is gelegd is niet als bijlage aan de notitie gehecht.
2.Zie daarvoor HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.14.
3.Das Gericht hat zur Erforschung der Wahrheit die Beweisaufnahme von Amts wegen auf alle Tatsachen und Beweismittel zu erstrecken, die für die Entscheidung von Bedeutung sind.
4.Werner Beulke, Strafprozessrecht, C.F. Müller Verlag Heidelberg, 9e druk, p.237, Löwe-Rosenberg, StPO, Berlin: De Gruyter Recht, 2010, 26e druk, (Becker) par. 244, aant. 50.
5.Zie HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:341.
6.Raadpleging van het dossier laat zien dat de oproepingen van klaagster en haar advocaat voor de behandeling van de zaak op 22 september 2015 dateren van 25 augustus 2015. Wanneer de officier van justitie van de behandeling van de zaak op de hoogte is gesteld valt uit het dossier niet af te leiden.