Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Op 28 juli 2008 is overleden [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), geboren op [geboortedatum] 1930. Ten tijde van zijn overlijden was hij weduwnaar sedert november 1996 en had hij drie dochters en vijf kleinkinderen.
- ii) Tijdens zijn leven was [betrokkene 1] tandarts. Tot aan zijn overlijden woonde [betrokkene 1] zelfstandig in een hem toebehorende woning te [plaats] . Hij oefende in de aan zijn woning grenzende praktijkruimte de tandartsenpraktijk uit.
- iii) Verweerster in cassatie (hierna: [verweerster] ), geboren op [geboortedatum] 1951 en gehuwd met [betrokkene 2] , heeft in de jaren 1970-1980 als tandartsassistent in de praktijk van [betrokkene 1] gewerkt. Vanaf 2001 is zij weer in de praktijk komen werken.
- iv) [betrokkene 1] heeft in een op 23 mei 2008 ten overstaan van notaris [betrokkene 3] verleden akte (hierna: het testament van 23 mei 2008), naast een gedeeltelijke herroeping van eerdere wilsbeschikkingen, – onder meer – het volgende bepaald:
- v) In het testament van 15 maart 2006 was [verweerster] eveneens tot executeur van de nalatenschap van [betrokkene 1] benoemd.
- vi) [verweerster] heeft de nalatenschap van [betrokkene 1] beneficiair aanvaard.
- vii) Bij beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 27 augustus 2009 is [verweerster] met ingang van 28 augustus 2009 ontslagen als executeur in de nalatenschap van [betrokkene 1] . Overeenkomstig een daartoe tussen [eiseressen] en [verweerster] gemaakte afspraak is op 19 mei 2010 aan [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) een onherroepelijke volmacht verleend om als vereffenaar van de nalatenschap van [betrokkene 1] op te treden. [betrokkene 5] heeft de rechtbank rapporten over de omvang en samenstelling van de nalatenschap van [betrokkene 1] doen toekomen.
- viii) Na een daartoe van de voorzieningenrechter verkregen verlof hebben [eiseressen] ten laste van [verweerster] conservatoir beslag doen leggen op 22 september 2008 op het onroerend goed te Delft en op 18 november 2008 onder de naamloze vennootschap Fortis Bank (Nederland) N.V.
( [2] )hebben [eiseressen] gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair: het testament van 23 mei 2008 nietig verklaart, dan wel vernietigt;
- ii) [verweerster] veroordeelt [eiseressen] inzage te verschaffen in de omvang (aard en waarde) van de door haar van [betrokkene 1] ontvangen – zowel directe als indirecte – giften/schenkingen, zoals door haar ontvangen sinds 1 augustus 2003;
- iii) [verweerster] veroordeelt volledige rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zij als enig erfgenaam en executeur de nalatenschap van [betrokkene 1] heeft beheerd;
- iv) Bepaalt dat [verweerster] vanaf de dag van betekening van het vonnis een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan het onder ii en iii gevorderde te voldoen, met een maximum van € 500.000,-.
( [3] )volgt dat [betrokkene 1] in de zes maanden voorafgaand aan zijn overlijden dementerend was. Althans, het testament dient te worden vernietigd op grond van art. 4:43 BW Pro wegens een wilsgebrek. [verweerster] heeft door misbruik te maken van de gezondheidssituatie van [betrokkene 1] en van diens onvermogen om zijn eigen belang te dienen [betrokkene 1] ertoe bewogen om enkele weken voor zijn overlijden zijn testament te wijzigen onder benoeming van [verweerster] als enige erfgenaam en executeur. [verweerster] zou [betrokkene 1] hebben doen geloven dat hij met haar getrouwd was en heeft doelbewust [eiseressen] en derden op afstand gehouden, teneinde hem te isoleren van zijn omgeving en in haar invloedssfeer te brengen. Althans, dient vernietiging van het testament te volgen op grond van art. 4:59 BW Pro – bedoeld wordt dat de bevoordeling van [verweerster] in het testament aan haar dient te worden onthouden –, nu [verweerster] gedurende de ziekte van [betrokkene 1] zich jegens hem heeft gedragen als een verzorgend/verplegend persoon als bedoeld in dat artikel. Ook dienen de rechtsgevolgen aan het testament van 23 mei 2008 aan [verweerster] te worden onthouden wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid, nu het gezien de omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is dat ten opzichte van haar aan het testament integrale uitvoering wordt gegeven.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
wilsonbekwaamheid
( [4] )blijkende gegeven, dat het tot het ondertekenen door [betrokkene 1] van het testament pas is gekomen nadat drie besprekingen in aanwezigheid van een kandidaat-notaris met hem zijn gevoerd, waarin hij is “doorgezaagd” over zijn motieven, [betrokkene 1] een consistente gedragslijn in zijn antwoorden en reacties toonde en er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit een discrepantie tussen de (uiterste) wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid. In de aan het voorwaardelijk incidenteel appel gewijde rov. 20 t/m 24 komt het hof in de eerste volzin van rov. 24 tot het oordeel, dat de rechtbank terecht tot haar oordeel is gekomen dat het testament van [betrokkene 1] niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis.
( [5] )gewag wordt gemaakt van bij [betrokkene 1] waargenomen verschijnselen als forse atrofie van de brein, ernstig façadegedrag, confabuleren en dementie, terwijl in een brief 9 oktober 2008 van een [betrokkene 1] behandeld hebbende neuroloog aan de raadsvrouw van [eiseressen] staat vermeld:
“Gezien de ernst van de geheugenstoornissen, het gebrek aan ziekte inzicht, het gebrek aan oordelingsvermogen, het gebrek aan visueel-spatieel inzicht, allemaal passend bij een matig dementieel syndroom, kom ik tot de conclusie dat patiënt niet handelingsbekwaam was begin 2008”en
“Ik acht patiënt 6 maanden voor zijn overlijden niet handelingsbekwaam”.
( [6] )Een en ander doet, zo wordt betoogd, ’s hofs oordeel onbegrijpelijk zijn. In subonderdeel 2.1.4 wordt als klacht verder aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het uitvoerige bewijsaanbod dat [eiseressen] in hun memorie van antwoord, sub 138 en 139, hebben gedaan en waarbij als te horen getuigen/deskundigen worden genoemd de twee neurologen die [betrokkene 1] hebben behandeld.
“in dat verband is van belang dat deze artsen [betrokkene 1] eerst na 22 juli 2008 (dus toen hij was opgenomen in het ziekenhuis) hebben onderzocht op zijn cognitieve functies, zodat hun conclusies omtrent de geestelijke gesteldheid van [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament slechts vermoedens zijn en derhalve niet met zekerheid kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, [betrokkene 1] mogelijk in mei 2008 dementerend was. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat [betrokkene 1] in de periode voorafgaand aan zijn overlijden al bij artsen onder behandeling was wegens dementie of de ziekte van Alzheimer. (…) Een verklaring van een arts die [betrokkene 1] omstreeks 23 mei 2008 heeft gezien en die hem heeft onderzocht op zijn geestelijk vermogen ontbreekt.”Omdat [eiseressen] hun stelling dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van het testament van 23 mei 2008 niet over zijn geestvermogens beschikte onvoldoende hebben onderbouwd, gaat de rechtbank ook aan het door hen gedane bewijsaanbod voorbij.
( [7] )Het zijn [eiseressen] die de afwijzing door de rechtbank van het beroep op nietigheid van het testament wegens een geestesstoornis bij [betrokkene 1] in appel bestrijden. Dat doen zij met de in het kader van het voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerde grief 1. Die grief houdt niet meer in dan dat de rechtbank ten onrechte de primaire vordering van [eiseressen] om het testament van [betrokkene 1] nietig te verklaren dan wel te vernietigen heeft afgewezen. Over het passeren van het in de inleidende dagvaarding gedane bewijsaanbod wordt niet apart geklaagd. Voor de onderbouwing van de grief wordt volstaan met een verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld. Na erop gewezen te hebben dat [eiseressen] in hun toelichting op de voorwaardelijke grieven exact hadden dienen te formuleren waartegen hun bezwaren zich richten en dat zij geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben gesteld of niet hebben aangegeven op grond waarvan de rechtbank tot een onjuiste conclusie is gekomen, geeft het hof als zijn oordeel dat de rechtbank terecht tot zijn oordeel is gekomen dat het testament van [betrokkene 1] niet nietig kan worden verklaard wegens een geestelijke stoornis. Dit oordeel van het hof komt hierop neer dat het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat oordeel rust, overneemt. Het hof deelt daarmee het oordeel van de rechtbank, dat, gelet op wat de betrokken notarissen in hun brief van 28 mei 2009 schrijven over de gang van zaken rondom de aanpassing van het testament in mei 2008, er niet van voldoende feiten en omstandigheden is gebleken – ook niet met de overgelegde stukken van medische aard – om te kunnen concluderen dat [betrokkene 1] op 23 mei 2008 wegens een geestesstoornis niet bekwaam was om zijn wil omtrent zijn nalatenschap te bepalen, als ook de beslissing van de rechtbank om aan het bewijsaanbod van [eiseressen] voorbij te gaan. Niet kan worden gezegd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of zijn arrest onvoldoende motiveert. Nu [eiseressen] bij de bestrijding van het oordeel van de rechtbank inzake de beweerde geestesstoornis bij [betrokkene 1] volstaan met enkel te verwijzen naar hetgeen zij in eerste aanleg hebben aangevoerd, kon het hof volstaan met het overnemen van het oordeel van de rechtbank en van de gronden waarop dat oordeel rust.
( [8] )Die gronden houden mede in dat er geen aanleiding bestaat om [eiseressen] tot bewijslevering ter zake van de door hen gestelde wilsonbekwaamheid toe te laten, nu er niet voldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit het bestaan van die wilsonbekwaamheid op 23 mei 2008 valt af te leiden.
onwaardigheid van [verweerster] om voordeel te genieten uit het testamentd.d. 23 mei 2008
van [betrokkene 1]
( [9] )
“hij die de overledene door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid heeft gedwongen of belet een uiterste wilsbeschikking te maken.”Blijkens de wetsgeschiedenis is bij het redigeren van dit geval artikel 284 WvSr Pro in aanmerking genomen, waarin gevangenisstraf of een geldboete wordt gesteld op het een ander wederrechtelijk dwingen tot iets te doen, niet te doen of te dulden door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid.
( [10] )Deze strafrechtelijke achtergrond, die ook de andere in lid 1 van artikel 4:3 BW Pro genoemde gevallen hebben, vormt een aanwijzing dat tot het toepassing geven aan artikel 4:3 lid 1 sub c BW Pro niet te spoedig dient te worden overgegaan. Daarop wijst ook de afwijzing van de suggestie van notariële zijde om de onwaardigheid te verbinden aan het enkele feit dat de onwaardige de erflater gedwongen of belet heeft een uiterste wilsbeschikking te maken. De reactie op deze suggestie luidde:
“Ondergetekende zou hierop willen antwoorden dat naar zijn mening met deze formule van de notarissen de sluizen naar aanvechting van erfopvolging op grond van onwaardigheid wel zeer wijd opengezet zou worden. Bij iedere maar gestelde vroegere ideële pressie op de erflater – die er zelf niet meer is om een en ander te weerleggen – zouden processen gevoerd kunnen worden, waarmee de zekerheid van de erfopvolging en van het testament al te zeer zou verminderen.”( [11] )
dwingenvan een erflater tot het maken van een wilsbeschikking. Het hierboven kort weergegeven gedrag van [verweerster] jegens [betrokkene 1] , waarvan het hof niet dan veronderstellenderwijs is uitgegaan, typeert het hof als een beïnvloeden van [verweerster] van [betrokkene 1] . Dat is niet, althans niet zonder meer gelijk te stellen met een dwingen van [betrokkene 1] tot het maken van een wilsbeschikking van een door [verweerster] gewilde inhoud. In dit verband is van belang dat, zoals hierboven in 2.7 toegelicht, met het toepassing geven aan artikel 4:3 lid 1 sub d BW Pro terughoudendheid is te betrachten.
derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid
“Het hof overweegt in rov. 17 dat voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals door de rechtbank toegepast geen steun is te vinden in het recht. De rechtszekerheid staat daaraan volgens het hof in de weg nu er sprake is van een wilsbekwame erflater die op zorgvuldige wijze door de notaris is voorgelicht en van vernietigingsgronden niet is gebleken. Anders dan het hof lijkt te overwegen spelen de redelijkheid en billijkheid wel degelijk (ook) een rol in het familierecht en erfrecht.”Hieruit alsmede uit wat in de tweede alinea van subonderdeel 2.1.5 wordt betoogd, valt af te leiden dat in subonderdeel 2.1.5 erover wordt geklaagd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er in het algemeen geen ruimte is om met een beroep op de redelijkheid en billijkheid de werking van een op zichzelf geldige erfstelling in te perken. Daarmee wordt evenwel, naar het toeschijnt, geen juiste interpretatie van rov. 17 gegeven. Zou het hof de zojuist genoemde rechtsopvatting inderdaad toegedaan zijn geweest dan had het aanstonds de door [verweerster] tegen het redelijkheidsoordeel van de rechtbank gerichte grief gegrond kunnen oordelen. Dat doet het hof echter niet. De tegen het redelijkheidsoordeel van de rechtbank gerichte grief verklaart het hof ongegrond niet dan na mede onderzocht te hebben of in dat wat [eiseressen] omtrent de beïnvloeding door [verweerster] van [betrokkene 1] hebben gesteld aanleiding is te vinden om aan de haar uit het testament van 23 mei 2008 ten deel gevallen bevoordeling te ontzeggen.
het afleggen van rekening en verantwoording door [verweerster] als executeur
opheffing van de beslagen