Conclusie
GL-rules.
JSC Tradehouse Leninska Kuznya(hierna: JSC), een Oekraïens bedrijf, vervolgens het schip gebouwd, onder toezicht van GL. Dat toezicht hield in dat GL controleerde of overeenkomstig de door de Scheepvaartinspectie goedgekeurde berekeningen werd gebouwd. In dat stadium hield het toezicht niet in of die berekeningen deugdelijk (door [eiser]) waren opgesteld en/of deugdelijk (door de Scheepvaartinspectie) waren gecontroleerd.
GL-Rulesniet, althans niet zonder meer, op een schip met de afmetingen en verhoudingen als het schip in kwestie konden worden toegepast;
Verzekering
Tussenconclusie
“de verzekerbaarheid, in verband met de exoneratie”als volgt:
“rechtstreeks en uitsluitend”het gevolg is van een fout in de tekeningen of berekening. Het hof heeft daaromtrent en omtrent de aan [eiser] verweten tekortkomingen een deskundigenonderzoek in het vooruitzicht gesteld en iedere verdere beslissing aangehouden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
1.1wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat de omstandigheid dat slechts dekking kon worden verkregen tot een bedrag ter hoogte van de opdrachtsom, niet van doorslaggevend belang is, voorbijgaat aan zijn eigen bewijsopdracht in het tussenarrest van 20 maart 2012 dat, indien [eiser] kan bewijzen dat
“een ook voor dit geval afdoende dekking” [20] niet zou zijn te verkrijgen, hem een beroep op art. 13 van Pro de Metaalunievoorwaarden zou toekomen.
1.2wordt geklaagd dat het oordeel dat niet van doorslaggevend belang zou zijn dat een maximale (en voor dit geval in geen enkel opzicht
“afdoende”) dekking van € 2.832,08 tegen de in dit geval dreigende en ook ontstane schade van € 715.000,- was te verkrijgen, onbegrijpelijk is.
1.3, waar tot uitgangpunt wordt genomen dat de kern van de aan [eiser] verstrekte bewijsopdracht is dat komt vast te staan dat geen afdoende (de schade dekkende) dekking was te verkrijgen. Verder wordt tot uitgangspunt genomen dat een dekking die slechts bescherming biedt tegen nog geen half procent van de schade, onmogelijk een afdoende dekking kan worden genoemd. Volgens de klacht is de overweging dat de omstandigheid dat het onmogelijk zou zijn geweest een verzekering te sluiten die meer dan een half procent van de schade zou dekken, “
niet van doorslaggevend belang” is, en het daarop volgende oordeel dat [eiser] geen beroep op art. 13 Metaalunievoorwaarden Pro toekomt, in het licht van de gegeven bewijsopdracht onbegrijpelijk.
1.4wordt betoogd dat het oordeel dat niet van doorslaggevende betekenis is dat maximaal tot de factuursom dekking kon worden verkregen, onbegrijpelijk is in het licht van de bevindingen van de deskundige. Ter toelichting wijst de klacht erop dat de deskundige immers tot de conclusie komt dat voor de verzekering destijds als belangrijkste conditie gold dat zou zijn bedongen dat de dekking werd beperkt tot de opdrachtsom, en dat zonder deze beperking geen verzekering kon worden afgesloten (en dat voor het geval de beperking niet zou zijn bedongen, deze beperking toch leidend zou zijn geweest bij de schadeafwikkeling).
1.5dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is waarom een verzekering van een potentieel enorme schade van vele tonnen tegen een verzekerd bedrag van € 2.832,08 (volgens de deskundige de enig mogelijk verkrijgbare dekking) zou kunnen worden aangemerkt als een verzekering die “
afdoende dekking”, of (in de termen van rov. 12.4.6 van het tussenarrest van 2 december 2014) een “
deugdelijke dekking” bood.
“fouten in ontwerp, berekening, tekening of advies”in het geheel niet verzekerd. Volgens de deskundige had hij zich daarvoor echter wel kunnen verzekeren, zij het niet dan met moeite en onder aanvaarding van de verplichting algemene voorwaarden te hanteren die de door [eiser] te vergoeden schade tot het bedrag van de opdrachtsom zouden beperken. Dat [eiser], zoals het hof kennelijk heeft aangenomen, redelijkerwijs een zodanige verzekering had behoren af te sluiten, leidt in de systematiek van het toepasselijke exoneratiebeding echter niet tot een uitsluiting van een beroep op dat beding, maar tot een beperking van de door [eiser] te vergoeden schade, niet tot het bedrag waarvoor hij die schade in werkelijkheid had verzekerd, maar tot het bedrag waarvoor hij die schade redelijkerwijs had behoren te verzekeren.
“(h)et (…) immers thans (gaat) om de vraag wat (in het kader van een exoneratiebeding) feitelijk is overeengekomen, niet om de vraag welke situatie zou hebben bestaan indien te dien aanzien een andere afspraak was gemaakt.”Ik acht dat oordeel, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het exoneratiebeding dat feitelijk is overeengekomen, beperkt de te vergoeden schade immers tot het bedrag dat gedekt zou zijn geweest als [eiser] de verzekering zou hebben gesloten die hij redelijkerwijs had behoren te besluiten. Uit de door het hof kennelijk onderschreven bevindingen van de deskundige volgt, dat uit die verzekering een beperking van de te vergoeden schade tot het bedrag van de opdrachtsom zou zijn voortgevloeid. Dat laatste is, op grond van het tussen partijen geldende exoneratiebeding (en niet op grond van enig fictief beding), wel degelijk van (doorslaggevend) belang.
“met een ook voor dit geval afdoende dekking”. En blijkens de in rov. 4.24.4 geformuleerde vragen die het hof voornemens was aan de deskundige te stellen (met name de vraag onder I, tweede gedachtestreepje; zie ook het dictum van het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 4 sub b) achtte het hof - terecht - mede van belang welke
“beperkingen of limieten”zouden hebben gegolden als het destijds voor [eiser] al mogelijk was geweest een verzekering te sluiten die óók de aansprakelijkheid voor de gevolgen van fouten in ontwerp, berekening, tekening of advies dekte. Opmerkelijk is voorts de uiteindelijk in het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 5 gestelde vraag, die ertoe strekte te vernemen of het hanteren (door de adspirant-verzekerde) van algemene voorwaarden, houdende aansprakelijkheid uitsluitende of beperkende bedingen
noodzakelijkwas om voor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering in aanmerking te komen. Ook in de benadering van het hof kwam het (op grond van het tussen partijen geldende en door [eiser] ingeroepen exoneratiebeding) dus niet erop aan of [eiser] met het oog op de bedoelde risico’s een verzekering, ongeacht van welke inhoud, had kunnen sluiten, maar of hij een verzekering had kunnen sluiten die, mede gelet op de eventueel daaraan verbonden beperkingen of limieten, in
“een ook voor dit geval afdoende dekking”zou hebben voorzien. Als een dergelijke verzekering redelijkerwijze niet had kunnen worden gesloten, zou [eiser] op grond van het geldende exoneratiebeding
hetzijin het geheel niet aansprakelijk zijn geweest (aan welk geval het hof kennelijk heeft gedacht, waar het in rov. 4.24.1 van het tussenarrest van 20 maart 2012 heeft overwogen dat in dat geval
“de vordering van Veka (…) integraal (dient) te worden afgewezen”),
hetzij, in het geval dat [eiser] redelijkerwijze wél een verzekering had kunnen (en dus ook had behoren te) sluiten die echter niet in
“een ook voor dit geval afdoende dekking”maar in een onvolledige dekking zou hebben voorzien, aansprakelijk zijn geweest tot het bedrag waarvoor de schade met die verzekering zou zijn gedekt, waarbij ook eventuele uit de door die verzekering voorgeschreven algemene voorwaarden voortvloeiende beperkingen van de te vergoeden schade in aanmerking zouden moeten worden genomen.
integraaldient te worden afgewezen. Rov. 4.23.10 moet mijns inziens worden bezien in verband met rov. 4.23.9, waarin het hof heeft gereleveerd dat [eiser] zich (primair) op
volledigeonverzekerbaarheid voor aanspraken als de onderhavige had beroepen. In lijn daarmee heeft het hof, zoals hiervoor reeds gesignaleerd, in rov. 4.24.1 overwogen dat, in het geval dat [eiser] (volledig) in zijn bewijsopdracht zou slagen, de vordering van Veka
integraaldient te worden afgewezen. Aan het geval dat zou blijken dat [eiser] redelijkerwijs een verzekering had kunnen (en dus ook had moeten) sluiten die echter slechts in een gedeeltelijke dekking van de gevorderde schade zou voorzien, heeft het hof noch in rov. 4.23.10, noch in rov. 4.24.1, kenbaar aandacht besteed. Daaruit mag naar mijn mening echter niet worden afgeleid dat het hof in het tussenarrest van 20 maart 2012 zou hebben geoordeeld dat [eiser] in dat laatste geval, in strijd met de duidelijke tekst van het exoneratiebeding, verplicht zou zijn tot vergoeding van de schade tot een hoger bedrag dan dat waarvoor die schade redelijkerwijs verzekerd had behoren te zijn. Dat geldt temeer nu, naar in de rov. 4.14.7, 4.21.5 en 4.21.6 ligt besloten, het hof het exoneratiebeding niet als bij voorbaat onredelijk bezwarend en een beroep daarop in beginsel niet als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar heeft beoordeeld en een beroep op het exoneratiebeding naar het oordeel van het hof [eiser] in beginsel dan ook vrijstaat.
“(…) die schade waartegen opdrachtnemer verzekerd is, dan wel redelijkerwijs verzekerd had behoren te zijn.”).
2.1 en 2.2wordt onder
2.3geklaagd dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht wordt vervolgens nader toegelicht onder
2.4-2.8.
2.4wordt tot uitgangspunt genomen dat voor de beoordeling van de vraag of [eiser] voor de hem door Veka gegeven opdracht een deugdelijke verzekering had kunnen verkrijgen, moet worden gekeken naar de verzekeringsmogelijkheden die hij in 2002, in de hypothetische situatie dat hij toen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BAV) had kunnen afsluiten,
zouhebben gehad, en welke voorwaarden daarbij
zoudenhebben gegolden. De klacht stelt onder
2.5dat uit het onderzoek van de deskundige blijkt dat het voor [eiser] onmogelijk zou zijn geweest een verzekering af te sluiten die een verdergaande dekking bood dan de opdrachtsom, in welk verband erop wordt gewezen dat het hanteren van de RVOI-voorwaarden 2001, die de aansprakelijkheid tot het bedrag van de opdrachtsom beperken, bij het sluiten van de verzekering verplicht zou zijn gesteld.
2.6dat [eiser], in de hypothetische situatie dat hij een BAV-polis zou hebben kunnen sluiten, zijn aansprakelijkheid in het licht van het voorgaande niet verder had kunnen verzekeren dan tot de opdrachtsom en dat het hof met zijn oordeel dat deze omstandigheid niet van doorslaggevend belang is, omdat het gaat om de vraag wat
feitelijkis overeengekomen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht wijst er in dat verband op dat het een gegeven is dat feitelijk geen beroepsaansprakelijkheidsverzekering is afgesloten en dat wat feitelijk is overeengekomen rechtens niet van belang is voor de beantwoording van de door het hof gestelde vraag wat [eiser] zou hebben kunnen verzekeren.
2.7wordt betoogd dat het hof, door te oordelen dat de voorwaarden die in dat kader bepalend zijn voor de beoordeling of [eiser] een deugdelijke dekking had kunnen verkrijgen, niet van doorslaggevend belang zijn, ook daarom van een onjuiste rechtsopvatting blijk heeft gegeven, omdat bij de beantwoording van de vraag welke verzekering redelijkerwijs had kunnen (en moeten) worden afgesloten, alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, in het bijzonder ook die over de vraag voor welke schade en tot welk bedrag dekking kon worden verkregen.
2.8dat, wanneer [eiser] een BAV-verzekering had afgesloten, de toepasselijkheid van de RVOI-voorwaarden 2001 op alle door hem te sluiten overeenkomsten zou zijn opgelegd en dat de dekking beperkt zou zijn conform die voorwaarden. De schade waartegen [eiser] op grond van de Metaalunievoorwaarden “
redelijkerwijs verzekerd had behoren te zijn”, zou volgens het onderdeel geen andere schade kunnen zijn dan die, welke is beperkt tot de hoogte van de opdrachtsom.
“om de vraag wat (in het kader van een exoneratiebeding) feitelijk is overeengekomen, niet om de vraag welke situatie zou hebben bestaan indien te dien aanzien een andere afspraak was gemaakt”, getuigt naar mijn mening op zichzelf niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof kan niet worden verweten van een onjuiste rechtsopvatting te hebben blijk gegeven door het exoneratiebeding zoals dat tussen partijen geldt, tot uitgangspunt te nemen. In zoverre acht ik de klacht ongegrond.
2.9wordt geklaagd dat het oordeel dat de dwingende conditie (de beperking tot de opdrachtsom) waaronder een verzekering door [eiser] in 2002 zou kunnen worden afgesloten niet van doorslaggevend belang zou zijn voor de beoordeling van de vraag of de schade die door Veka was geleden, schade was waartegen [eiser]
“redelijkerwijs verzekerd had behoren te zijn”, onbegrijpelijk is. De klacht wordt toegelicht onder
2.1, waar wordt vooropgesteld dat het in deze zaak gaat om de vraag tegen welke condities op de verzekeringsmarkt [eiser] voor een opdracht als de onderhavige een verzekering had kunnen krijgen. Volgens de klacht waren de voornaamste condities voor het afsluiten van de verzekering uiteraard de premie, maar daarnaast de verplichting om de RVOI-voorwaarden te bedingen, en met de beperking van de dekking conform deze voorwaarden, zonder welke de verzekering niet zou kunnen worden gesloten, hetgeen kennelijk ook het hof in rov. 12.4.5, in fine, tot uitgangspunt heeft genomen. Geklaagd wordt dat het oordeel dat niet van doorslaggevend belang is dat de aansprakelijkheid op grond van de RVOI-voorwaarden tot het factuurbedrag beperkt zou zijn geweest, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
2.11dat het oordeel voorts onbegrijpelijk is in het licht van het hiervoor geciteerde art. 13.1, tweede volzin, van de Metaalunievoorwaarden. Indien [eiser] zich
“redelijkerwijs zou hebben verzekerd” voorafgaand aan de overeenkomst met Veka, dan zou de dekking onder de polis volgens de klacht hoe dan ook beperkt zijn geweest tot de opdrachtsom. Volgens de klacht is het derhalve niet van belang dat [eiser] de toepasselijkheid van de RVOI-voorwaarden “feitelijk” niet heeft bedongen, omdat [eiser] zich redelijkerwijs niet anders kon verzekeren dan met een dekking beperkt tot de opdrachtsom en dus niet voor de totale door Veka geleden schade. Daarom kan [eiser] een beroep doen op de beperking van de aansprakelijkheid in art. 13 van Pro de Metaalunievoorwaarden, aldus nog steeds de klacht.
2.Cneemt tot uitgangspunt dat het bestreden oordeel aldus moet worden begrepen dat een verzekering tegen (uitsluitend) de waarde van de opdrachtsom van € 2.832,08 zou kunnen worden aangemerkt als een “
deugdelijke dekking” tegen schade zoals in de onderhavige zaak geleden. Geklaagd wordt dat het oordeel in dat geval onbegrijpelijk is, nu het hof niet tevens heeft geoordeeld dat [eiser] gehouden is slechts de schade waartegen hij zich had kunnen verzekeren (€ 2.832,08) aan Veka te vergoeden (in het geval, zo voegt de klacht daaraan toe, dat later in de procedure zou worden vastgesteld dat van een fout sprake is).
“deugdelijk”heeft beschouwd. Het hof heeft in rov. 12.4.6 van het tussenarrest van 2 december 2014 ook niet gesproken van de dekking die [eiser] redelijke0rwijze had kunnen verkrijgen, maar van de dekking tot het verkrijgen waarvan hij zich had moeten inspannen. Het ligt ook niet voor de hand om de dekking die [eiser] redelijkerwijs had kunnen verkrijgen als “deugdelijk” te kwalificeren, nu het hof, kennelijk hetzelfde bedoelend, op andere plaatsen ook wel van een
“afdoende dekking”heeft gesproken (zie in het bijzonder de omschrijving van het probandum in rov. 4.24.1 van het tussenarrest van 20 maart 2012). De dekking die de verzekering zou hebben geboden die [eiser] redelijkerwijze had kunnen sluiten, was - naar het hof zich blijkens rov. 12.4.5, in fine, van het tussenarrest van 2 december 2014 kennelijk ook bewust was - tot het bedrag van de opdrachtsom (volgens [eiser] € 2.832,02) beperkt en, gelet op de door Veka gestelde schade, derhalve geenszins
“afdoende”.
3.2wordt geklaagd dat het hof met de bestreden oordelen blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. Volgens de klacht is niet beslissend dat het
“niet onmogelijk of onbetaalbaar”was om een verzekering te verkrijgen, maar of dit van [eiser]
“in redelijkheid gevergd kon worden” [23] . De klacht stelt dat daarbij alle omstandigheden van belang zijn, en dat in het bijzonder betekenis toekomt aan de destijds bestaande verzekeringsmogelijkheden en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen [24] . De klacht stelt onder
3.3dat de omvang van de verzekeringsdekking in het onderhavige geval, naar de destijds bestaande verzekeringsmogelijkheden, tot een bedrag € 2.832,08 zou zijn beperkt. Voor de beantwoording van de vraag voor welke schade een behoorlijke verzekering dekking behoorde te verlenen, is volgens de klacht de omvang van de dekking derhalve van doorslaggevend belang.
3.4tot uitgangspunt dat het hof is uitgegaan van het criterium dat van [eiser] in redelijkheid kon worden gevergd dat hij zich voldoende inspande om een deugdelijke dekking te krijgen. Vervolgens wordt geklaagd dat het oordeel dat [eiser] zich onvoldoende heeft ingespannen om een deugdelijke dekking te krijgen, onbegrijpelijk is in het licht van de volgende omstandigheden:
“dat redelijkerwijs voor [eiser] in ieder geval via de provinciale markt geen BAV-polis te sluiten viel”en dat alleen op de internationale markt voor een bedrijf als [eiser] een verzekering te zou zijn verkrijgen [26] .
niet ongebruikelijk” was, onbegrijpelijk is in het licht van deze bevindingen.
3.5wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat het voor [eiser] niet onmogelijk, onbetaalbaar of ongebruikelijk was om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten, voorbij gaat aan de stellingen van [eiser] dat hij heeft geprobeerd om op de provinciale markt een BAV-polis te sluiten, maar dat dit niet mogelijk bleek [27] , en dat bij de beoordeling van het “
redelijkerwijs verzekerd behoren te zijn” moet worden gekeken naar de inspanningen die van een kleine, lokale ondernemer als [eiser] mochten worden gevergd en dat de internationale verzekeringsmarkt voor hem praktisch ontoegankelijk was [28] .
“theoretische aangelegenheid”is. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof die stelling als onvoldoende beschouwd om hem ervan te weerhouden zich bij de bevindingen van de deskundige (zoals door het hof begrepen) aan te sluiten of tot een nadere motivering van zijn oordeel dienaangaande te dwingen. Ik meen dat de klacht tevergeefs is voorgesteld.
3.6wordt geklaagd dat het oordeel dat van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij zich inspande om een deugdelijke dekking te verkrijgen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat niet maatgevend is of [eiser] zich al dan niet voldoende heeft ingespannen, maar dat het gaat om de vraag welke verzekering tegen welke condities en dekkingsvoorwaarden door [eiser] zou zijn verkregen
“als”hij zich voldoende zou hebben ingespannen. Ook hier vermeldt de klacht dat uit het rapport van de deskundige blijkt dat dit uitsluitend een verzekering zou zijn geweest met een dekking beperkt tot de opdrachtsom.
Heeft [eiser], door slechts één van de buigende momenten daadwerkelijk te berekenen en het andere buigende moment niet zelfstandig te berekenen, doch slechts te herleiden door toepassing van een eenvoudige vermenigvuldigingsfactor op de uitkomst van de eerdere berekening, daarmee in het licht van wat hij wist, kon weten en moest weten omtrent de noodzaak van het berekenen van de beide buigende momenten, zozeer nalatig gehandeld dat hem bewuste roekeloosheid of grove schuld kan worden verweten dat, ter voorkoming van een resultaat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dit aan een succesvol beroep op de exoneratie in de weg zou staan?”
4.2tot uitgangspunt dat het hof in rov. 12.7.1, nog voordat de vragen aan de deskundige worden voorgelegd [30] , reeds de conclusie heeft getrokken dat [eiser] het negatief buigende moment niet zelfstandig zou hebben berekend. Het onderdeel klaagt dat het hof daarmee voorbij gaat aan de stelling van [eiser] dat dit negatief buigende moment wel is berekend [31] .
5.2dat de oordelen in de laatste twee alinea’s van deze rechtsoverweging onbegrijpelijk zijn in het licht van de vragen die het hof aan de deskundige wil voorleggen. Ter toelichting voert het onderdeel aan dat het hof in rov. 12.11.4 aan de deskundige als vraag A wil voorleggen
“of de beschrijving van het negatief buigend moment (zoals het hof die gaf in rov. 12.7.6) juist is”, terwijl het hof, uitgaande van zijn eigen opvatting en nog voordat de deskundige heeft geantwoord of de zienswijze van het hof inderdaad juist is, al in rov. 12.7.6 heeft geconcludeerd dat de uitgangspunten en stellingen van [eiser] niet juist zouden zijn en dat de door [eiser] voorgestelde vraag op een misverstand zou berusten.
5.3wordt geklaagd dat het hof daarin uitsluitend de beschrijving van partijdeskundige Van Pelt heeft weergegeven en onderschreven, terwijl het met deze (voorlopige) oordelen al vooruitloopt op de vraag die (in 12.11.4 sub F) aan de deskundige wordt voorgelegd. Het onderdeel betoogt dat de oordelen van het hof onbegrijpelijk zijn in het licht van de vragen die het aan de deskundige wil voorleggen.
“vooralsnog”formuleert, wenst het hof nader door een deskundige te worden voorgelicht over de onderwerpen in kwestie, waarover het zich blijkens het slot van rov. 12.7.9 nog slechts een voorlopig oordeel heeft gevormd. Het hof heeft in rov. 12.7.9 immers overwogen: “
Dit alles berust echter slechts op een voorlopig oordeel van het hof.” Dit oordeel is opgenomen (bijna) aan het slot van de beschouwingen onder 12.7.1-12.7.10. Uit de plaatsing van de geciteerde volzin leid ik af dat al hetgeen het hof in de rov. 12.7.1-12.7.9 heeft overwogen,
voorlopigeoordelen zijn en dat het hof daarover eerst aan de hand van het beoogde deskundigenrapport definitief zal oordelen.