In deze zaak stond de vraag centraal of een geldbedrag van € 1.463.349,51, waarop conservatoir beslag was gelegd, verbeurd verklaard kon worden. Het hof had de vordering tot verbeurdverklaring afgewezen omdat het beslag niet strafvorderlijk was maar conservatoir. De verdachte was veroordeeld voor gewoontewitwassen en het OM vorderde verbeurdverklaring van het onverklaarbaar vermogen.
De Hoge Raad herhaalde de eerdere rechtspraak dat een conservatoir beslag ex art. 94a Sv niet in de weg staat aan verbeurdverklaring ex art. 33a Sr. Het hof had een onjuiste rechtsopvatting gehanteerd door de vordering af te wijzen op grond van het type beslag. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafoplegging en beslissingen over de inbeslaggenomen voorwerpen betrof en verwees de zaak terug naar het hof Den Haag voor hernieuwde berechting.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad verweren van de verdachte over vermeend onrechtmatig politieonderzoek en vormverzuim, maar verwierp deze. Het hof had terecht geoordeeld dat er een gerechtvaardigde verdenking bestond op basis van de wanverhouding tussen het inkomen en de vermogensbestanddelen van de verdachte. De Hoge Raad bevestigde dat het OM niet niet-ontvankelijk verklaard hoefde te worden en dat bewijsuitsluiting niet aan de orde was.