In deze zaak stond centraal of klaagster ontvankelijk was in haar hernieuwde beklag tegen het beslag op een Maril-sloep 625, genaamd ‘[A]’. De rechtbank had geoordeeld dat het hernieuwde beklag ontvankelijk was omdat het gebaseerd was op nieuwe feiten en omstandigheden die bij de raadsvrouw nog niet bekend waren ten tijde van het eerdere klaagschrift. Deze feiten betroffen onder meer verklaringen van klaagster en een verklaring van berusting over een erfenis.
De officier van justitie stelde dat het oordeel van de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting was en dat er geen sprake was van nieuwe feiten. De rechtbank overwoog echter dat het dossier pas begin 2014 beschikbaar was gekomen voor de raadsvrouw en dat de nieuwe stukken en verklaringen een nieuwe beoordeling van het beslag rechtvaardigden.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat klaagster buiten redelijke twijfel eigenaar was van de sloep, mede op basis van een overdrachtsovereenkomst en een verklaring van berusting. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het beklag ontvankelijk en gegrond was, waardoor de teruggave van de sloep aan klaagster werd gelast.