Voetnoten
1.Kamerstukken 2005/06, 30320, nr. 3, p.7/8.
2.Vgl. HR 4 juni 1991, NJ 1991, 809; HR 10 december 2002, ECLI 2002:AE9632; HR 6 september 2005, ECLI:2005:AT7553; HR 20 februari 2007, ECLI:2007:AZ5717; HR 21 mei 2013, NJ 2015, 277 m.nt. Mevis.
3.In HR 19 april 2016, NJ 2016, 258 m.nt. Keijzer stond niet vast dat verdachte had gestoken. De HR oordeelde toen dat het bewijs van het voorwaardelijk opzet ontoereikend was.
4.Bijv. HR 8 april 2008, ECLI:2008:BC5982; HR 6 november 2012, ECLI:2012:BX8482; HR 24 november 2015, NJ 2016, 59 m.nt. Keijzer.
5.HR 22 maart 2016, ECLI:2016:456 rov. 3.1.2.
6.HR 4 oktober 2011, ECLI:2011:BR2329; HR 24 januari 2012, ECLI:2012:BU5241; HR 24 september 2013, NJ 2014, 277 m.nt. Keulen.
7.HR 22 maart 2016, ECLI:2016:456.
8.HR 4 januari 2005, ECLI:2005:AR5735: HR 8 maart 2011, ECLI:2011:BP0324; HR 11 februari 2014, ECLI:2014:298:
9.HR 22 april 2014, ECLI:2014:971.
10.HR 18 april 2000, NJ 2000, 413.
11.HR 29 mei 2001, NJ 2002, 123 m.nt. Cleiren; HR 26 februari 2002, ECLI:2002:AD8866.
12.HR 23 november 2010, NJ 2011, 223 m.nt. Borgers.
13.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, 4 Nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten (lid 1) bij: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Artikel 237 (mr. dr. R.H. de Bock).
14.Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, 15 Proceskosten bij bijzondere procedurele verwikkelingen bij: Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Artikel 237 (mr. dr. R.H. de Bock).
15.Zie HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30 m.nt. J.B.M. Vranken, waarin het hof de incidenteel appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard in het door haar ingestelde incidenteel appel en thaar veroordeelde in de kosten van dat appel, omdat het verweer dat in eerste aanleg is gevoerd en door de rechtbank verworpen, ook zonder incidenteel appel door het hof zou zijn behandeld. De HR overwoog daarentegen dat het instellen van incidenteel appel, ter verzekering van behandeling van een verweer in hoger beroep, welk verweer in eerste aanleg buiten behandeling is gebleven of verworpen en in hoger beroep is gehandhaafd, niet zonder enige belang is geschied. Daa
16.Mr. Jörg schreef dat als vertrekpunt kan gelden dat in de strafrechtspraak juist houding of gedragingen van verdachte aanleiding geven voor de civiele voeging. Daaruit volgt dat de benadeelde partij ten aanzien van de kostenveroordeling een gunstige startpositie heeft. Deze terminologie lijkt rechtstreeks te zijn ontleend aan HR 23 maart 1979, NJ 1980, 125 m.nt. W.H. Heemskerk, waarin de HR overwoog: "Als 'bij vonnis in het ongelijk gesteld' is immers te beschouwen niet alleen de partij wier standpunt door de rechter onjuist wordt bevonden, maar ook de partij, die door haar houding of gedragingen aanleiding tot de vordering heeft gegeven. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan, dat het instellen van een rechtsvordering zijn aanleiding vindt in houding of gedragingen van de gedaagde."
17.Ik wijs er nog op dat de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd dat de vorderingen van benadeelde partijen niet konden worden toegewezen, althans zich niet leenden voor behandeling in de strafzaak, gelet op het aandeel van [slachtoffer 2] en slachtoffer [slachtoffer 1] en diens zoon in het geheel.