Conclusie
middelkeert zich met drie klachten tegen ’s hofs motivering van de afwijzing van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
alsnogeen proces-verbaal van de zitting op met daarin de aantekening van het mondeling vonnis. Hij is daartoe
verplichtin de gevallen als bedoeld in sub b en sub c van het tweede lid van art. 378 Sv Pro, dat wil zeggen: - (b) indien de officier van justitie, de verdachte of diens raadsman, dan wel de benadeelde partij, binnen drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of een verzoek doet; - (c) indien een gewoon rechtsmiddel tegen het vonnis is aangewend, tenzij het aanwenden van het rechtsmiddel meer dan drie maanden na de uitspraak is geschied of sprake is van een vonnis als bedoeld in art. 410a, eerste lid, Sv.
alsnogeen proces-verbaal met aantekening van het mondeling vonnis
moetworden opgemaakt. Met de steller van het middel ben ik op zichzelf wel eens dat in andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer het hof daarom verzoekt – alsnog een proces-verbaal met aantekening mondeling vonnis
kanworden opgemaakt. Steun voor deze opvatting meen ik te kunnen vinden in de nota naar aanleiding van het verslag van een mondeling overleg inzake het wetsvoorstel “Herziening van een aantal bepalingen van het Wetboek van Strafvordering betreffende mondelinge vonnissen in strafzaken en aanpassing van de Wet op de economische delicten aan die herziening”. [2] Daarin kan men onder meer lezen (p. 1): “In
alle overige gevallenzou het proces-verbaal van de zitting
in beginselachterwege kunnen blijven en zou kunnen worden volstaan met een beknopte aantekening van de uitspraak in een daarvoor bestemd voorgedrukt formulier” (cursivering van mij, AG). En (p. 3): “In het nieuwe artikel 378, tweede lid, zijn thans de gevallen omschreven waarin proces-verbaal van de terechtzitting met aantekening mondeling vonnis op de wijze door de Minister van Justitie bepaald,
moetworden opgemaakt” (cursivering van mij, AG).