Conclusie
“F.1
F.2.1
F.2.2
F.2.3
F.2.4
F.3
F. 4
G. 1
G.2
G.3.1
G.3.2
G.3.3
G.4
H.
I.1
I.2
I.3
I.4
I.5
I.6
I.7
I.8
J.2
J.3
J.4
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de niet-geregistreerde [3] , reeds bereide middelen kunnen worden aangemerkt als magistraal bereide middelen. Het Hof heeft het verweer verworpen. Zie hierboven punt 5 onder G. Het onder G.4 weergegeven oordeel van het Hof berust vooral op een wetssystematisch argument. De kern daarvan is dat voor de betekenis van het begrip ‘bereiden’ artikel 21 van Pro de Diergeneesmiddelenwet betekenis heeft nu daar wordt onderscheiden tussen onder meer bereiden enerzijds en verpakken en etiketteren anderzijds. Verpakken -het Hof spreekt heel feitelijk van ompakken- is gelet daarop iets anders dan bereiden.
tweede middelklaagt over de verwerping van het beroep op noodtoestand (arrest zoals weergeven bij 5 hierboven onder I) en het
derde middelover de verwerping van het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid (arrest, zoals weergeven bij 5 hierboven onder J).
vierde middelklaagt over de verwerping van het verweer zoals dat hierboven onder F.1 is samengevat. Kort gezegd hield dat verweer in dat de levering van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen aan een collega-dierenarts gelet op de zogenaamde Kanalisatieregeling niet strafbaar zou zijn.