Conclusie
1.Feiten
2. Procesverloop
3. Bespreking van het cassatiemiddel
Ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank Rotterdam in haar eindvonnis (althans in haar tussenvonnis) in dezen gemeend dat de vordering door Appellant ingediend in eerste aanleg zouden verjaard.” In deze grief is niet te lezen dat [eiser] zich in hoger beroep beperkt tot het aan de orde stellen van het oordeel van de rechtbank over verjaring van de vordering voor zover die is gebaseerd op de grondslagen (b) en (c), ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Ook in de – niet heel heldere – toelichting op grief 1 is niet te lezen dat [eiser] zijn grief tot die grondslagen beperkt en grondslag (a) buiten beschouwing laat. Weliswaar wordt in de toelichting op de grief vooral aandacht besteed aan de vraag naar het aanvangstijdstip van de verjaring in verband met de bekendheid van [eiser] met de (omvang van) de schade. Deze vraag is relevant in het kader van art. 3:310 BW Pro, en dus voor de grondslagen (b) en (c). De vraag wanneer [eiser] bekend was met de (omvang van de) schade speelt echter geen rol bij de verjaring van de vordering wegens het niet nakomen van een toezegging, grondslag (a), die beoordeeld moet worden aan de hand van art. 3:307 BW Pro. Dit laatste is voor het hof kennelijk aanleiding geweest om aan te nemen dat grondslag (a) in hoger beroep niet meer ter discussie stond. Echter, in de toelichting op grief 1 wordt onder punt 8 van de memorie van grieven expliciet melding gemaakt van ‘
het nadeel dat hij heeft geleden, door het niet nakomen van de toezegging’, terwijl in punt 9 van de memorie van grieven wordt gesteld dat ‘
van een verjaring in het jaar 2009 geen sprake[kan]
zijn.’ Aangezien alleen de vordering gebaseerd op het niet-nakomen van toezeggingen (volgens de rechtbank) verjaard was in 2009 (rov. 5.5 en 5.8), terwijl de vordering gebaseerd op de grondslagen (b) en (c) volgens de rechtbank verjaard waren in 1996/1997 (rov. 5.10), kan de toelichting op de grief redelijkerwijs niet anders worden gelezen dan dat óók is bedoeld om het oordeel over het verjaren van grondslag (a) in hoger beroep aan de orde te stellen.
Ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft de Rechtbank Rotterdam, in haar voornoemde vonnis gemeend dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan appellant voor een vergoeding van hetgeen hij heeft bedacht voor Coca Cola, dan wel dat die toezegging is verjaard.” Het hof overweegt over deze grief dat zij berust op een onjuiste lezing van het vonnis (rov. 10). Verondersteld kan worden dat het hof met deze overweging – die verder niet is toegelicht – bedoeld heeft dat de rechtbank zich in het bestreden vonnis niet heeft uitgelaten over de vraag
ofCoca Cola een toezegging heeft gedaan; de rechtbank heeft zich beperkt tot het oordeel dat een dergelijke, veronderstelde, toezegging, is verjaard. Dit is op zichzelf juist, maar daarmee heeft het hof niet gerespondeerd op het slot van grief 2, waarin het gaat over de verjaring van (de vordering tot nakoming van) de toezegging. Redelijkerwijs had het hof deze grief, gelezen in samenhang met grief 1, niet anders kunnen opvatten dan dat óók beoogd werd aan het hof voor te leggen de juistheid van het oordeel van de rechtbank, dat de vordering gegrond op niet-nakoming van de toezegging was verjaard. Daaraan doet niet af dat in de toelichting op grief 2 niet nader op de verjaringsvraag is ingegaan.
dat [eiser] geen (specifieke) grief heeft gericht tegen de beslissing van de kantonrechter dat de brief d.d. 31 januari 2008 (…) niet als stuitingshandeling kan worden betiteld’ (punt 19).