ECLI:NL:PHR:2016:174

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
1 april 2016
Zaaknummer
15/05679
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 288 lid 1 FwArt. 407 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid toelatingsverzoek WSNP wegens ontbreken verklaring en schulden niet te goeder trouw

Verzoeker heeft bij de rechtbank Zeeland-West Brabant een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek werd afgewezen. In hoger beroep vernietigde het hof ’s-Hertogenbosch het vonnis en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een vereiste verklaring op grond van art. 285 lid 1 sub f Fw Pro.

Verzoeker betoogde dat onder bepaalde omstandigheden van het overleggen van deze verklaring kon worden afgezien en dat hij deze omstandigheden uitgebreid had gemotiveerd en gedocumenteerd. De Hoge Raad oordeelde echter dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was omdat de klachten niet voldeden aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, met name doordat niet duidelijk was op welke omstandigheden verzoeker doelde en waar dit in de processtukken stond.

Verder stelde de Hoge Raad vast dat het betoog van verzoeker vooral een toelichting op de afzonderlijke schuldenposten was en niet aantoonde dat er omstandigheden waren die het ontbreken van de verklaring konden rechtvaardigen. De overige verweren faalden eveneens en konden niet tot cassatie leiden.

De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van art. 80a RO. Hiermee werd bevestigd dat de toelating tot de WSNP niet kon worden verleend wegens het ontbreken van de vereiste verklaring en de niet te goeder trouw aard van de schulden.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de vereiste verklaring en onvoldoende motivering.

Conclusie

Nr. 15/005679
Mr. L. Timmerman
Parket 29 januari 2016
Conclusie inzake
[verzoeker]
(hierna: [verzoeker])
1. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2015 heeft [verzoeker] de rechtbank Zeeland-West Brabant verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen uitspreken. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 13 oktober 2015 afgewezen. Op het door [verzoeker] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch het bestreden vonnis bij arrest van 1 december 2015 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard. Het hof heeft dit oordeel gegrond op art. 285 lid 1 sub f Fw Pro.
2. Het
eerste onderdeelbetoogt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw Pro en dat [verzoeker] uitgebreid heeft gemotiveerd en gedocumenteerd dat in zijn situatie zodanige omstandigheden aanwezig waren. De klacht kan reeds niet slagen omdat deze niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro voldoet. Niet is immers vermeld i) op welke omstandigheden [verzoeker] doelt en ii) waar de door [verzoeker] op dat punt ingenomen stellingen in de processtukken zijn terug te vinden. Voor zover het betoog op bladzijde 7 (vanaf de dikgedrukte kop “Immers:”) tot en met bladzijde 9 van het cassatieverzoekschrift als een toelichting op deze klacht is bedoeld is onbegrijpelijk wat hiermee – in dat kader – bedoeld wordt. Het betoog betreft immers een toelichting op (c.q. betwisting van) de afzonderlijke schuldenposten. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit betoog tot de conclusie had moeten leiden dat er in het geval van [verzoeker] omstandigheden waren op grond waarvan van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f FW Pro kon worden afgezien. [1]
3. De
onderdelen 2 tot en met 6trekken alle ten strijde tegen overwegingen die ’s hofs beslissing niet dragen en kunnen aldus niet tot cassatie leiden.
4. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zo doet (kennelijk) geen van de door [verzoeker] zelf in voetnoot 2 genoemde omstandigheden zich voor.