Conclusie
Onderdeel 1klaagt dat het hof in rov. 5 ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, althans dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Hoewel het onderdeel algemener is geformuleerd ziet het in de kern op het oordeel van het hof inzake de sollicitatieplicht (in rov. 6). Het onderdeel voert aan dat uit de rapportage van Bouman GGZ van 26 oktober 2015 volgt dat [verzoekster] ziek is, zodat zij niet in staat is om te werken of om aan haar sollicitatieplicht te voldoen. Hiermee gaat het onderdeel er aan voorbij dat de omstandigheid dat [verzoekster] diverse psychische en somatische klachten [3] heeft niet dwingt tot de conclusie dat zij ook (volledig) arbeidsongeschikt is of niet in staat zou zijn om te solliciteren, zoals het hof terecht overweegt. [4] Het was aan [verzoekster] om dergelijke arbeidsongeschiktheid / onmogelijkheid tot solliciteren aan te tonen, en niet – zoals het cassatieverzoekschrift kennelijk meent [5] – aan het hof om uit te leggen waarom [verzoekster] wél deels kon werken / solliciteren.
onderdeel 2wordt ten strijde getrokken tegen het oordeel van het hof in rov. 6 dat, samengevat, [verzoekster] op de hoogte was van de mogelijkheid om bij de rechter-commissaris een verzoek in te dienen voor vrijstelling van de sollicitatieplicht, maar zij niet tijdig de benodigde stukken heeft ingediend waaruit gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid blijkt. Voorop zij gesteld dat deze overweging van het hof in de redenering van het hof niet dragend is voor de conclusie dat [verzoekster] haar sollicitatieplicht heeft geschonden, zodat de klachten reeds daarom niet tot cassatie kunnen leiden. Daarnaast stuiten de klachten ook af op hetgeen hiervoor onder 2. is opgemerkt over de rapportage van GGZ Bouman en de conclusies die daaruit getrokken kunnen worden.
Onderdeel 3bevat klachten tegen beide overwegingen. Ten aanzien van overweging ii) klaagt het onderdeel dat “de overweging van het hof dat de advocaat dan maar hulp had moeten verlenen bij het treffen van regelingen” de realiteit miskent. Deze klacht berust op een onvolledige lezing van ’s hofs arrest. Het verwijt dat het hof [verzoekster] maakt is immers niet dat haar advocaat haar “dan maar hulp had moeten verlenen” of dat [verzoekster] heeft nagelaten haar advocaat om hulp te vragen, maar dat [verzoekster] in algemene zin heeft nagelaten om hulp te vragen,
bijvoorbeeldbij haar advocaat.
onderdeel 4richt het cassatieverzoekschrift zich tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat [verzoekster] thans geen inkomen genereert het gevolg is van een door [verzoekster] gemaakte keuze (rov. 7, slot). De in het onderdeel geponeerde klachten voldoen niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro, nu hierin stellingen worden ingenomen (die het hof volgens het onderdeel kennelijk bij de beoordeling had moeten betrekken) zonder dat de vindplaats van deze stellingen in de eerdere gedingsstukken wordt genoemd.
onderdeel 5al begrijpelijk zijn, bouwen zij voort op de voorgaande onderdelen. Zij delen dan ook het lot van die onderdelen. Het oordeel van het hof om de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet te verlengen is in het licht van het bovenstaande niet onbegrijpelijk.