ECLI:NL:PHR:2016:183

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2016
Publicatiedatum
5 april 2016
Zaaknummer
15/02865
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen

Verdachte was door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens medeplegen van opzettelijke overtredingen van de Opiumwet, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf. De aanzegging van het cassatieberoep werd rechtsgeldig betekend aan de raadsman van verdachte, ondanks dat verdachte zelf geen bekende woon- of verblijfplaats had.

Omdat verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie heeft ingediend, is niet voldaan aan het vereiste van art. 437, tweede lid, Sv. Hierdoor kan verdachte niet in cassatie worden ontvangen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

Nr. 15/02865
Zitting: 16 februari 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 25 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang tussen de zaken 15/02866 P en 15/02865. In deze zaken zal ik vandaag concluderen.
De aanzegging in cassatie is op 13 juli 2015 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank ’s-Gravenhage, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Daarbij is voldaan aan de zogenaamde VIP-controle. De ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 13 juli 2015 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd en dat hij niet stond ingeschreven in de GBA (met ingang van 15 januari 2015 vertrokken onbekend waarheen), terwijl uit de stukken van het geding niet blijkt dat van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland dan wel een adres in het buitenland bekend was. De cassatie-akte vermeldt als adres [adres]. Dat adres kan inmiddels als vervallen worden beschouwd, nu het hier gaat om het adres waarop verdachte tot 15 januari 2015 in de GBA stond ingeschreven. Bovendien is op 13 juli 2015 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. art. 588, eerste lid, onder b, sub 3º, Sv rechtsgeldig betekend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG