Conclusie
medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod”, feit 1.2 “
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en feit 2 “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.
dat er sprake is van een begin van uitvoering ter zake van de invoer van hasjiesj”.
naar haar uiterlijke verschijningsvorm” een veel neutralere, bijna alledaags te noemen, gedraging dan het naar Marokko rijden met een voor de smokkel van verdovende middelen geprepareerd voertuig.
enkele zich begeven naar de gemeente” waar de verdachte de heroïne in ontvangst zou nemen, kon naar het oordeel van de Hoge Raad “
niet worden aangemerkt als een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf”. [3] Bij “
dat voorgenomen misdrijf” ging het echter in die strafzaak om het vervoeren van heroïne en dat is een andere gedraging dan het binnen Nederland brengen waar het in de onderhavige zaak om gaat. Vanwege het “
delictsgebonden karakter van de uitvoeringshandelingen” kan dezelfde gedraging voor het ene delict wel en voor het andere delict niet als uitvoeringshandeling worden gekwalificeerd. [4]
Juist bij een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland zal de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kunnen aannemen.” In die zin zit de bewezen-verklaarde gedraging “
dicht tegen het misdrijf” aan, zoals mijn ambtgenoot Knigge opmerkte in zijn conclusie voor HR 17 november 2009. [6]
de Hoge Raad der Nederlanden