Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
ingezetenenen watersysteemheffing
eigenarenopgelegd. De aanslagen zijn elk op een afzonderlijk aanslagbiljet opgelegd, per jaar volgtijdelijk, eerst ingezetenenheffing daarna eigenarenheffing.
ingezetenenen een belasting van, met name,
eigenarenvan gebouwde onroerende zaken.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis en literatuur
algemeene heffingen”onderscheiden. Hiertoe behooren bijv. de belastingen naar inkomen en vermogen, de personeele- en grondbelasting, de invoerrechten, de accijnzen, successie- en grondbelasting, de invoerrechten, de accijnzen, successie-, registratie- en zegelrecht. Ieder die een of meer dezer belastingen betaalt, weet, dat de overheid hem deze eenzijdig oplegt tot instandhouding van den staat, de provincie, het waterschap of de gemeente. Zeker de overheid bewijst hem diensten, zij zorgt voor rechtsregelen, veiligheid, verkeer, en vele andere niet te ontberen stoffelijke en ideëele goederen. Maar niemand, die een der hierboven genoemde belastingen opbrengt, kan zeggen : ik betaal,
omdatde overheid mij een
bepaaldendienst heeft bewezen. Neen, er is geen aanwijsbare en evenmin een afdwingbare overheidsprestatie.
een bepaald onderdeel van overheidszorg; zij worden daarom
“bestemmingsheffingen”genoemd. (…). Men doet goed deze bestemmingsheffingen nader te onderscheiden. Er zijn er die in structuur geheel met de algemeene heffingen overeenkomen (…). Zij onderscheiden zich van de algemeene heffingen hierin, dat hare opbrengst ter bekostiging van een bepaald onderdeel van de overheidstaak wordt bestemd.
groepvan hen, die een dergelijke belasting opbrengt, bijzonder boven andere belastingplichtigen wordt bevoordeeld ; men noemt deze heffingen ook wel
“bijdragen”. Als voorbeeld noem ik de wegen- en rijwielbelasting, waarvan de opbrengst wordt aangewend om daaruit den aanleg van nieuwe, de verbetering en het onderhoud van bestaande wegen te financieren. Geen enkele betaler van deze belastingen heeft individueel aanspraak op een dezer overheidsdiensten. (…). Alleen de
groepvan wegen- en rijwielbelastingbetalers heeft een voordeel van deze overheidsverrichtingen.
op zich zelfniet tot een afwijkende juridische indeling daarvan behoeven te leiden, zelfs niet indien aan één of meer van die andere doelstellingen een overwegende betekenis toekomt. Pas wanneer de juridische structuur van een heffing zó essentieel afwijkt van de door het nader te ontwikkelen juridische belastingbegrip gestelde eisen dat zij niet daaraan voldoet, is naar haar mening een indeling in een afzonderlijke groep verantwoord.
NTFR2015/2706 als volgt becommentarieerd:
Belastingblad2015/356: