Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- i) Eiser tot cassatie (hierna: [eiser] ) heeft in 2001 een woning aan de [a-straat] te Den Haag gekocht voor een koopprijs van € 378.906,48. Hij was op dat moment al eigenaar van twee andere woningen te Den Haag met een verwachte gezamenlijke overwaarde van € 222.760,79.
- ii) Met het oog op de financiering van de aangekochte woning sloot [eiser] , die een jaarinkomen van € 27.364,- had, met Postbank, de rechtsvoorganger van verweerster in cassatie (hierna: ING), een meerwaardeovereenkomst af. Samen met een overbruggingskrediet dat hem verleend werd op basis van een door hem ingebracht eigen vermogen van € 193.991,04, verkreeg hij uit hoofde van die overeenkomst van ING een (aflossingsvrije) meerwaardehypotheek ter grootte van € 408.402,19. Het ingebrachte vermogen werd gestort in een beleggingsdepot, te weten Postbank Obligatiefonds. Dat depot bestond uit een Kapitaalopbouwgedeelte en een Aanvullingsgedeelte. Dit laatste gedeelte voorzag in een maandelijkse aanvulling op het inkomen van [eiser] met een bedrag van € 998,77. Het overbruggingskrediet is in 2003 voor het grootste gedeelte afgelost met de opbrengst van de verkoop van de twee woningen die [eiser] al had.
- iii) Vanwege de tegenvallende rendementen van het Postbank Obligatiefonds in 2002 en 2003 heeft ING kredietnemers van meerwaardehypotheken in 2004 aangeboden gebruik te maken van een garantieregeling. Die regeling hield, kort gezegd, in dat de aanvullende inkomsten uit het Aanvullingsgedeelte van het depot werden gegarandeerd voor een bedrag van maximaal € 998,- per maand voor de duur van 20 jaar vanaf 1 juni 2004 (optie 1) of voor een bedrag van maximaal € 698,60 per maand voor de duur van 30 jaar vanaf 1 juni 2004 (optie 2). [eiser] koos voor optie 1.
- iv) Op 14 juni 2004 stuurde ING aan [eiser] een brief met als onderwerp “
Hierbij doen wij u de nadere overeenkomst bij de MeerWaardehypotheek toekomen. Na ondertekening hiervan zullen de volgende voorwaarden voor u gelden. (…)
Na aanleiding van uw brief van dd 26-04-2007 doe ik u de volgende informatie toekomen, ik ben al een tijd bezig met het oversluiten van mijn hypotheek, de onderhandelingen zijn in een gevorderd stadium gekomen. Het open staande hypothecaire schuld en de daar bij behorende achterstand worden in een keer in gelost.”
Blijkens akte op 6 maart 2002 (…) verleden, werd door u aan [eiser] (…) een hypothecaire lening verstrekt groot in hoofdsom € 602.393. Deze lening zal op 18 oktober a.s. bij mij worden afgelost wegens oversluiting. In verband met de gebruikelijke recherches (…) worden de gelden op 22 oktober a.s. telefonisch overgemaakt.”
Na aanleiding van ons telefonische gesprek doe ik u een verzoek om mijn beleggingen te doen verkopen en dat in mindering te brengen op de eind nota.”
- viii) ING heeft vervolgens de beleggingsportefeuille verkocht. De verkooptransactie is vermeld op de aan [eiser] toegestuurde afschriften van zijn Beleggersgiro Kapitaalopbouw en Beleggersgiro Inkomensaanvulling van 10 oktober 2007.
- ix) Bij brief van 9 maart 2008 heeft [eiser] het volgende aan ING geschreven:
- x) Bij brief van 18 augustus 2010 heeft mr. M.W. Eshuis van dELb advocaten zich namens [eiser] bij ING beklaagd over het door ING nalaten te wijzen op de risico’s van de meerwaardehypotheek en over de verkoop van de beleggingsportefeuille door ING.
- xi) Bij (fax)brief van 25 augustus 2011 heeft [eiser] ING aansprakelijk gesteld voor al zijn schade.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1awordt er over geklaagd dat het hof strikt genomen niet heeft beslist op de stellingname van [eiser] , dat de op ING rustende zorgplicht meebracht dat zij hem bij of direct na de ontvangst van de verkoopopdracht had behoren te waarschuwen voor het feit dat de (opdracht tot) verkoop van de beleggingen tot gevolg zou hebben dat de garantieregeling niet meer zou gelden, ook niet indien het oversluiten van de hypotheek onverhoopt geen doorgang zou vinden.
subonderdeel 1bkomt hierop neer dat de gronden, waarop het hof de hiervoor in 2.2.1 vermelde vaststelling in rov. 3.6.3 baseert, die vaststelling niet kunnen dragen gelet op de vier feiten en omstandigheden die in het subonderdeel worden genoemd.