Conclusie
Middelonderdeel 1.1komt met een motiveringsklacht op tegen rov. 3.2-3.3 van ’s hofs arrest, waarin het hof de grief verwerpt dat [verweerder] geen eigen (spoedeisend) belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening (grief 2) en daartoe overweegt dat [verweerder] eigenaar is van het perceel ten behoeve waarvan de noodweg is aangewezen en dat tot de uitoefening van het eigendomsrecht ook het recht van [verweerder] behoort om de woning aan anderen in gebruik te geven, waartoe noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
Middelonderdeel 1.2klaagt dat genoemde overweging van het hof in rov. 3.3 niet de gegeven beslissing tot verwerping van grief 2 draagt, niet met zich brengt dat sprake is van een belang van [verweerder] in de zin van art. 3:303 BW Pro en aldus getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing is volgens het onderdeel tevens onvoldoende gemotiveerd nu het hof niet kenbaar is ingegaan op de stellingen van [eiser] (grief 2) dat de feitelijke gebruiker van het perceel zelf voor zijn belangen kan opkomen door aanwijzing als noodweg en dat door [verweerder] niet is gesteld danwel aannemelijk is gemaakt dat hij met de feitelijke gebruiker in een zodanige rechtsverhouding staat dat [verweerder] voor diens belangen heeft op te komen.
eigenspoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening nu de eigenaar het recht heeft de woning aan anderen in gebruik te geven waartoe – zoals het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld – noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
Middelonderdeel 2klaagt dat het hof in rov. 3.5 heeft miskend dat – zoals aangevoerd in grief 3 – eerst sprake is van een aanwijzing als noodweg met werking rechtens, nadat een (immers: “vooraf te betalen of te verzekeren”) schadevergoeding als bedoeld in artikel 5:57 lid 1 BW Pro is vastgesteld. Het oordeel van het hof is althans onvoldoende gemotiveerd nu het niet heeft aangegeven waarom voorbijgegaan kon worden aan het beroep op het voorschrift in artikel 5:57 lid 1 BW Pro – het vooraf betaald of verzekerd zijn van schadevergoeding – danwel dat voorschrift geen betekenis zou hebben in het kader van de vraag of een aanwijzing tot noodweg rechtens werking heeft.
Middelonderdeel 3richt zich tegen rov. 3.6-3.9 van het arrest, waarin het hof de grieven 4, 5 en 6 verwerpt. Het klaagt
ten eerstedat ’s hofs uitleg van de stellingen van [eiser] onbegrijpelijk is waar het hof vaststelt (rov. 3.8) dat [eiser] zich op het standpunt stelt “dat hem desondanks (in weerwil van de noodweg, A-G) op grond van zijn eigendomsrecht het onbelemmerd gebruik van het pad toekomt en dat het hem daarom dus ook is toegestaan om zijn auto op het pad te parkeren.” Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] zich in feitelijke instanties op het standpunt heeft gesteld dat het uitsluitend gebruiksrecht van [eiser] als eigenaar van [b-straat] (art. 5:1 lid 2 BW Pro) slechts wordt beperkt door het gebruik van het pad als noodweg in de zin van art. 5:57 lid 1 BW Pro, dat wil zeggen met zo min mogelijk overlast voor het bezwaarde erf (lid 3). Het arrest is onbegrijpelijk gemotiveerd nu deze stelling niet in de oordeelsvorming is betrokken, zo luidt de
tweedeklacht.
Middelonderdeel 4richt zich (gelet op het ontbreken van een rov. 4.4 in het arrest enerzijds en op de inhoud van de klacht anderzijds [2] ) klaarblijkelijk tegen rov. 4.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 16 december 2014 en treft reeds om die reden geen doel.
Middelonderdeel 5bouwt voort op de voorgaande onderdelen en faalt dus eveneens.
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.