ECLI:NL:PHR:2016:2

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 januari 2016
Publicatiedatum
20 januari 2016
Zaaknummer
15/04935
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:57 BWArt. 3:303 BWArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belemmering doorgang noodweg en parkeerverbod op door rechter aangewezen pad

Deze zaak betreft een burenrechtelijke vordering van verweerder tegen eiser om de vrije doorgang te garanderen over een door de rechter aangewezen noodweg op het perceel van eiser. De voorzieningenrechter wees de vordering toe, met een beperkte parkeermogelijkheid voor in- en uitladen. Het gerechtshof vernietigde dit vonnis en verbood eiser om op het pad te parkeren, onder dreiging van een dwangsom.

Eiser stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar verweerder verscheen niet en verstek werd verleend. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, onder meer omdat het hof het spoedeisend belang van verweerder als eigenaar van het perceel terecht aannam en de motivering van het hof voldoende was.

Ook het betoog dat een aanwijzing van een noodweg pas rechtens werking heeft na vaststelling van een schadevergoeding faalde, mede omdat de deeluitspraken over de aanwijzing kracht van gewijsde hebben gekregen. De Hoge Raad concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van art. 80a lid 1 RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het parkeerverbod op de noodweg blijft van kracht.

Conclusie

15/04935
Mr. E.B. Rank-Berenschot
Zitting: 15 januari 2016
CONCLUSIE inzake art. 80a RO
[eiser],
eiser tot cassatie,
adv: mr. P.S. Kamminga
tegen:
[verweerder],
verweerder in cassatie,
niet verschenen
1. Deze burenrechtelijke zaak betreft een vordering in kort geding van [verweerder] om – zakelijk weergegeven – [eiser] te veroordelen om [verweerder], althans de bewoners van het [verweerder] toebehorende perceel [a-straat] te [plaats], de vrije en onbelemmerde doorgang te verlenen tot het door de rechter als noodweg aangewezen pad over het aan [eiser] toebehorende perceel [b-straat] en [eiser] en de zijnen te verbieden op welke wijze dan ook de vrije doorgang te belemmeren en te blokkeren, op verbeurte van een dwangsom. Bij vonnis van 16 december 2014 heeft de voorzieningenrechter die vordering toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter [eiser] wel heeft toegestaan om ten behoeve van in- en uitladen maximaal twee keer per dag gedurende maximaal 5 minuten zijn auto op de noodweg te plaatsen. Op het hoger beroep van [eiser] heeft het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 25 augustus 2015 het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en [eiser] verboden om onmiddellijk na betekening van het arrest een auto te (doen) parkeren op het tot noodweg aangewezen pad, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere overtreding van dat verbod. [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [verweerder] is niet verschenen; tegen hem is verstek verleend.
2. De aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Dat laat zich als volgt toelichten.
3.
Middelonderdeel 1.1komt met een motiveringsklacht op tegen rov. 3.2-3.3 van ’s hofs arrest, waarin het hof de grief verwerpt dat [verweerder] geen eigen (spoedeisend) belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening (grief 2) en daartoe overweegt dat [verweerder] eigenaar is van het perceel ten behoeve waarvan de noodweg is aangewezen en dat tot de uitoefening van het eigendomsrecht ook het recht van [verweerder] behoort om de woning aan anderen in gebruik te geven, waartoe noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
Dit onderdeel faalt. De verwerping van de grief is voldoende gemotiveerd. Het hof heeft het spoedeisend belang aangenomen op voormelde zelfstandige grond en het behoefde daarbij niet in te gaan op de door het onderdeel genoemde stellingen waarmee [eiser] zich keerde tegen een door de voorzieningenrechter gehonoreerde aanvullende grond – de wens om de woning te verkopen en het verkrijgen van duidelijkheid over de juridische status van het pad – welke door [verweerder] was aangevoerd ter onderbouwing van het spoedeisend belang.
4.
Middelonderdeel 1.2klaagt dat genoemde overweging van het hof in rov. 3.3 niet de gegeven beslissing tot verwerping van grief 2 draagt, niet met zich brengt dat sprake is van een belang van [verweerder] in de zin van art. 3:303 BW Pro en aldus getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De beslissing is volgens het onderdeel tevens onvoldoende gemotiveerd nu het hof niet kenbaar is ingegaan op de stellingen van [eiser] (grief 2) dat de feitelijke gebruiker van het perceel zelf voor zijn belangen kan opkomen door aanwijzing als noodweg en dat door [verweerder] niet is gesteld danwel aannemelijk is gemaakt dat hij met de feitelijke gebruiker in een zodanige rechtsverhouding staat dat [verweerder] voor diens belangen heeft op te komen.
Ook dit onderdeel faalt. Het hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn beslissing is niet onvoldoende gemotiveerd. De aanwezigheid van een belang aan de zijde van de gebruiker (op basis waarvoor deze eventueel zelf zou kunnen ageren) laat onverlet (het oordeel) dat [verweerder] als eigenaar (ook) een
eigenspoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening nu de eigenaar het recht heeft de woning aan anderen in gebruik te geven waartoe – zoals het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld – noodzakelijk is dat die anderen de woning via de noodweg kunnen bereiken.
5.
Middelonderdeel 2klaagt dat het hof in rov. 3.5 heeft miskend dat – zoals aangevoerd in grief 3 – eerst sprake is van een aanwijzing als noodweg met werking rechtens, nadat een (immers: “vooraf te betalen of te verzekeren”) schadevergoeding als bedoeld in artikel 5:57 lid 1 BW Pro is vastgesteld. Het oordeel van het hof is althans onvoldoende gemotiveerd nu het niet heeft aangegeven waarom voorbijgegaan kon worden aan het beroep op het voorschrift in artikel 5:57 lid 1 BW Pro – het vooraf betaald of verzekerd zijn van schadevergoeding – danwel dat voorschrift geen betekenis zou hebben in het kader van de vraag of een aanwijzing tot noodweg rechtens werking heeft.
6. Dit middelonderdeel faalt. Daargelaten dat gesteld noch gebleken is [1] dat [eiser] zijn verweer in conventie en vordering in reconventie in de procedure tot aanwijzing van de noodweg aldus heeft ingericht dat rechtens eerst sprake is van aanwijzing van een noodweg indien en nadat een schadevergoeding is vastgesteld, stuit het onderdeel overigens af op de deeluitspraken in die procedure waarbij door de rechtbank respectievelijk het hof een noodweg op het perceel van [eiser] is aangewezen, welke deeluitspraken kracht van gewijsde hebben verkregen. Dat in de aanwijzingsprocedure nog moest worden beslist over de aanspraak op schadevergoeding van [eiser] doet daaraan niet af, zoals het hof in rov. 3.5 van zijn thans bestreden arrest terecht heeft geoordeeld. Het middelonderdeel komt voorts niet op tegen de feitenvaststelling in rov. 2.3-2.4 van het arrest, zodat het om die reden belang mist.
7.
Middelonderdeel 3richt zich tegen rov. 3.6-3.9 van het arrest, waarin het hof de grieven 4, 5 en 6 verwerpt. Het klaagt
ten eerstedat ’s hofs uitleg van de stellingen van [eiser] onbegrijpelijk is waar het hof vaststelt (rov. 3.8) dat [eiser] zich op het standpunt stelt “dat hem desondanks (in weerwil van de noodweg, A-G) op grond van zijn eigendomsrecht het onbelemmerd gebruik van het pad toekomt en dat het hem daarom dus ook is toegestaan om zijn auto op het pad te parkeren.” Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] zich in feitelijke instanties op het standpunt heeft gesteld dat het uitsluitend gebruiksrecht van [eiser] als eigenaar van [b-straat] (art. 5:1 lid 2 BW Pro) slechts wordt beperkt door het gebruik van het pad als noodweg in de zin van art. 5:57 lid 1 BW Pro, dat wil zeggen met zo min mogelijk overlast voor het bezwaarde erf (lid 3). Het arrest is onbegrijpelijk gemotiveerd nu deze stelling niet in de oordeelsvorming is betrokken, zo luidt de
tweedeklacht.
8. Laatstgenoemde klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.6 opgetekend dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij bij de uitoefening van zijn eigendomsrecht zo weinig mogelijk hinder dient te ondervinden van de noodweg, waarna het hof in rov. 3.7 oordeelt dat de beslissing van de voorzieningenrechter een aan [eiser] opgelegde beperking inhoudt die verder gaat dan noodzakelijk is in het kader van het gebruik als noodweg. In rov. 3.8 richt het hof zich vervolgens op de specifieke vraag of het [eiser] is toegestaan om zijn auto op het pad te parkeren nu dit in het verleden aanleiding heeft gegeven tot incidenten, waarop het hof tot het (geclausuleerde) oordeel komt dat het [eiser] niet is toegestaan de doorgang over het pad te versperren door het (doen) parkeren van een auto en in het dictum een verbod met die strekking geeft.
Hieruit volgt reeds dat ook de eerstgenoemde motiveringsklacht faalt. Bovendien is ’s hofs weergave van het standpunt van [eiser] in rov. 3.8 niet onbegrijpelijk in het licht van diens stelling dat de bewoners van [a-straat] tijdig opgave moeten doen van het gebruik van de noodweg, in verband waarmee [eiser] ‘zonodig zijn auto zal wegzetten’ (pleitaantekeningen mr. P.S. Kamminga tevens houdende conclusie van antwoord, nr. 39).
9.
Middelonderdeel 4richt zich (gelet op het ontbreken van een rov. 4.4 in het arrest enerzijds en op de inhoud van de klacht anderzijds [2] ) klaarblijkelijk tegen rov. 4.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter d.d. 16 december 2014 en treft reeds om die reden geen doel.
10.
Middelonderdeel 5bouwt voort op de voorgaande onderdelen en faalt dus eveneens.
11. De
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het procesdossier uit de aanwijzingsprocedure is niet in het geding gebracht, behoudens het vonnis van de rechtbank Alkmaar van 12 december 2012 (prod. 2 bij inl. dagv.), het p-v van 24 oktober 2013 (prod. A bij brief van 28 november 2014) en het arrest van het hof Amsterdam van 15 april 2014 (prod. 3 bij inl. dagv.).
2.Zie o.m. de verwijzing naar de vermeende overweging van het hof dat bij de aanwijzing van het pad als noodweg reeds een belangenafweging heeft plaatsgevonden (cassatiedagvaarding, p. 10 bovenaan), welke overweging in werkelijkheid wordt aangetroffen in rov. 4 4 van het vonnis van de voorzieningenrechter.