Verzoeker was meerdere malen benoemd als bewindvoerder maar werd in 2011 ontslagen wegens onder meer het onterecht in rekening brengen van bewindvoerderssalaris. Diverse schuldeisers, die onder zijn bewind stonden, vroegen in 2013 zijn faillissement aan. Verzoeker deed meerdere verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, die allen werden afgewezen door rechtbank, hof en uiteindelijk de Hoge Raad.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde verzoeker in 2015 failliet en benoemde een curator. Dit vonnis werd door het hof bekrachtigd. Verzoeker stelde onder meer dat het faillissement onterecht was omdat er nauwelijks boedelactief was en dat de rechtbank relatief onbevoegd was. De Hoge Raad oordeelde dat een faillissementsprocedure slechts een summier onderzoek vereist en dat het ontbreken van baten pas na onderzoek door de curator kan leiden tot misbruik van recht.
Klachten over relatieve bevoegdheid werden afgewezen omdat de rechtbank Limburg bevoegd was en de zitting in ’s-Hertogenbosch slechts een nevenzittingsplaats betrof. Ook werd geoordeeld dat het verzoek tot verwijzing naar een ander hof en het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor niet ontvankelijk waren. Het hof vond dat het faillissement niet misbruikt werd door schuldeisers en dat de faillissementstoestand aanwezig was omdat verzoeker was opgehouden te betalen en de vorderingen van schuldeisers aannemelijk waren.