Conclusie
[verdachte]
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor openlijk in vereniging gepleegd geweld in de Amsterdam Arena. Naast de strafrechtelijke vervolging kreeg verdachte ook een stadionverbod van drie jaar en een geldboete van €450 opgelegd door de KNVB. De verdediging stelde dat deze sancties van de KNVB een 'criminal charge' vormen in de zin van artikel 6 EVRM Pro, waardoor vervolging door het OM in strijd zou zijn met het ne bis in idem-beginsel.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid de criteria uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name de Engel-zaak en de Blake-zaak, en vergelijkt de aard en oorsprong van de sancties. De KNVB-sancties zijn privaatrechtelijk en niet opgelegd door een openbaar gezag, en de boete is niet gekoppeld aan vrijheidsbeneming bij niet-betaling. Het stadionverbod beperkt alleen de toegang tot voetbalwedstrijden en is van beperkte duur.
De Hoge Raad concludeert dat de maatregelen van de KNVB niet als een strafrechtelijke vervolging kunnen worden aangemerkt en dat het OM daarom ontvankelijk blijft in de strafzaak. De uitspraak benadrukt het verschil met bestuursrechtelijke sancties zoals het alcoholslotprogramma, waar wel sprake kan zijn van een 'criminal charge'. De conclusie van de Hoge Raad is dat het ne bis in idem-beginsel hier niet is geschonden en het beroep van verdachte wordt verworpen.
Uitkomst: Het OM is ontvankelijk in de strafvervolging ondanks het opgelegde stadionverbod en de geldboete door de KNVB.