Conclusie
[eiser 1]
[eiseres 2]
1.Feiten en procesverloop
eerstehebben zij gevorderd dat de verdeling van de door CBA uitgekeerde verzekeringsgelden door de kantonrechter zal worden vastgesteld zoals dat door [eiser] c.s. is voorgerekend [6] , alsmede dat [verweerder] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag groot € 26.262,54, vermeerderd met wettelijke rente. Zij hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat van de schade-uitkering een bedrag van € 25.566,41 onrechtmatig is besteed en dat daarvan een bedrag van € 696,13 nog niet is uitgegeven, zulks terwijl hun schade nog niet uit de verzekeringspenningen is vergoed. [7]
tweedehebben [eiser] c.s. in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat [verweerder] aansprakelijk is voor de schade uit onderverzekering ten gevolge van nalatigheid begaan in zijn hoedanigheid van bestuurder van de VvE, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [8] Deze tweede reconventionele vordering is in cassatie niet meer aan de orde en blijft hierna buiten beschouwing.
grief Iwordt opgekomen tegen de afwijzing van de eerste reconventionele vordering op de grond dat [eiser] c.s. deze tegen de VvE hadden moeten richten en niet tegen [verweerder] in privé. [9]
2.Bespreking van het cassatieberoep
bewindstaan van de vereniging van eigenaars. Onderbewindstelling werd gezien als de aangewezen weg om te waarborgen dat de verzekeringspenningen overeenkomstig hun primaire bestemming worden besteed tot herstel van de schade, tenzij daarvan door een besluit van de vergadering van eigenaren wordt afgezien. Ook de uitgekeerde verzekeringspenningen vielen onder het bewind. [28] Volgens de minister mag de vereniging van eigenaars de rechten op een uitkering uiteraard niet tot haar eigen vermogen rekenen en behoort zij ontvangen verzekeringspenningen daarvan gescheiden te bewaren en te administreren; volgens hem zijn rechthebbenden op de uitkering de appartementseigenaren ieder voor hun aandeel. [29] In het Regeringsontwerp was aanvankelijk expliciet bepaald dat na het eindigen van het bewind (door opheffing van de splitsing, voltooiing van het herstel, of verloop van drie maanden na het besluit tot afzien van herstel) de
verdelingvan het overschot kon worden gevorderd. [30] In de Vaststellingswet 1980 (art. 5.10.3.1a BW) is dit aldus geformuleerd dat bij het einde van het bewind het saldo van de verzekeringspenningen wordt afgedragen aan de appartementseigenaren, ieder voor hun aandeel. In verband met de ontkoppeling van de bewindsregeling van titel 3.6 is bij de inwerkingtreding van het nieuwe BW uiteindelijk teruggekeerd naar de redactie van art. 876j BW (oud). [31]
Middel IIberust op het standpunt dat het uitgekeerde verzekeringsgeld een gemeenschap tussen de appartementseigenaars vormt (p. 5, nr. 3).
nietop art. 5:136 lid 4 BW Pro te beroepen, nu geen van de in die bepaling genoemde gevallen zich voordeed [39] (zie ook het middel, p. 6, nr. 6). De jegens [verweerder] gerichte vordering tot verdeling is derhalve niet voor toewijzing vatbaar.