Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“met betrekking tot de “STICHTING GOOISCH NATUURRESERVAAT”” gesloten (hierna: “de Participantenovereenkomst”). In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:
van artikel l genoemde verdeelsleutel dient te worden gebracht.”
bij te dragen in het jaarlijks exploitatietekort van de stichting. Zoiets kan nu eenmaal niet worden vastgelegd in de statuten (...).”
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
( [1] )Na eerst de inhoud van de Haviltex-clausule vermeld te hebben komt het hof tot het oordeel dat de Participantenovereenkomst een duurovereenkomst is die voor onbepaalde tijd is aangegaan en die in beginsel voor opzegging in aanmerking komt.
subonderdeel 1.2, tweede en derde volzin,wordt als klacht aangevoerd dat het hof een onbegrijpelijke uitleg van de stellingen van de Provincie c.s. geeft door te spreken van “de uitleg van de Provincie c.s. dat de Participantenovereenkomst nooit of te nimmer opzeg-baar zou zijn”. Onder verwijzing naar de §§ 46 t/m 48 van de conclusie van antwoord wordt aangevoerd dat het de bedoeling van de partijen bij deze overeenkomst, de Participanten, is geweest om de Participanten te binden zo lang GNR bestaat of totdat de statuten van GNR voorzien in uittreding en dat dit niet hetzelfde is als ‘nooit of te nimmer’.
( [2] )In § 12 van de conclusie van antwoord wordt over de vermelding in artikel 3 sub a de Pro statuten van GNR
( [3] )dat de geldmiddelen van GNR onder meer bestaan uit bijdragen van de Participanten opgemerkt:
“Dat past in de gedachte dat men eigenlijk de bijdrageverplichting had willen vastleggen in de statuten en die verplichting dus ook had willen verbinden aan het voortbestaan van de stichting GNR (en dus voor eeuwig). De statuten voorzien dus ook niet in de mogelijkheid dat een participant afhaakt.”Daaraan wordt vervolgens nog toegevoegd dat in artikel 3 sub a van Pro de statuten gewag wordt gemaakt van een tussen de Participanten te sluiten overeenkomst. Hiermee wordt de Participantenovereenkomst bedoeld. De weergave van het hof van de uitleg die Provincie c.s. aan de Participantenovereenkomst geeft, is in dit licht te bezien. Dit betekent dat aan de door het hof gebezigde woorden ‘nooit en nimmer’ de betekenis is toe te kennen van ‘zolang de stichting GNR voort bestaat’.
subonderdeel 1.1.wordt als klacht aangevoerd dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat “aan de uitleg van de Provincie c.s. dat de Participantenovereenkomst nooit of te nimmer opzegbaar zou zijn, hoge eisen moeten worden gesteld”. Indien de wet of de overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging van een duurovereenkomst, is die overeenkomst in beginsel opzegbaar. Daaruit vloeit echter niet voort, zo wordt betoogd, dat aan de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de onopzegbaarheid bijzondere, hoge eisen moeten worden gesteld.
( [4] )Dat is wat het hof beoogt tot uitdrukking te brengen met de passage dat aan de uitleg van de Provincie c.s. dat de participatie-overeenkomst nooit of te nimmer opzegbaar zou zijn, hoge eisen zijn te stellen. Daarmee geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 1.2wordt verder de verwerping van het standpunt van de Provincie c.s. door het hof bestreden op de gronden dat het hof daarbij heeft miskend dat het voor de beantwoording van de vraag of de overeenkomst onopzegbaar is aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen, althans dat het hof niet voldoende ingaat op de stellingen van de Provincie c.s. ter onderbouwing van de onopzegbaarheid van de Participantenovereenkomst. Deze gronden worden onderbouwd met een weergave of resumé van stellingen uit met name de conclusie van antwoord van de Provincie c.s., die ook – verkort – aan de orde komen in de memorie van antwoord in appel van de Provincie c.s.
( [5] )GNR van financiële middelen te voorzien, wat meebrengt dat de Participantenovereenkomst niet opzegbaar is. Daarom is, zo voeren de Provincie c.s verder aan, op grond van een bewuste keuze in de overeenkomst ook slechts voorzien in een regeling inzake de aanpassing van het aandeel van iedere participant in de aan GNR te verstrekken geldmiddelen en niet in een opzegging. In de statuten zelf is niet iets bepaald over het beëindigen door een individuele participant van diens bijdrage in de geldmiddelen die GNR nodig heeft. Ook stellen Provincie c.s. dat ten tijde van het sluiten van de Participantenovereenkomst er sprake was van een lange duur van samenwerking en dat in de loop van de jaren veel natuur was aangekocht, wat de beheers- en organisatiekosten navenant heeft doen toenemen.
Het belangrijkste argument van de Provincie c.s. dat GNR “ten eeuwigen dage” het natuurgebied in stand dient te houden, miskent dat deze norm zich richt tot GNR als beheerder van de haar ter beschikking gestelde natuurgebieden maar niet tot de participanten zelf. Nu in toelichting op de participantenovereenkomst voorts niets is opgenomen waaruit de onopzegbaarheid daarvan kan volgen, de participanten - allen overheden - geacht worden over voldoende juridische kennis te beschikken om zich dat te realiseren, en dat ook niet uit het gedrag van de participanten jegens elkaar kan volgen, verwerpt het hof de uitleg van de Provincie c.s.”Het hof maakt hiermee, naar het voorkomt, niet op voldoende overtuigende wijze duidelijk dat het verweer van de Provincie c.s., opgevat als hiervoor weergegeven, niet opgaat. Het moge zo zijn dat de statuten van GNR alleen haar als beheerder van de Gooise natuurgebieden de ‘norm stellen’ om deze gebieden in stand te houden, dat neemt niet weg dat GNR een initiatief en al voor een zeer lange tijd een project van de gezamenlijke Participanten is, over wie in dezelfde statuten is bepaald dat de geldmiddelen van GNR onder meer zullen bestaan uit bijdragen van de Participanten. Daarmee blijkt al uit de statuten van een
gezamenlijkefinanciële verantwoordelijkheid van de Participanten voor de verwezenlijking door GNR van de haar statutair voor onbepaalde duur verleende opdracht. In die statuten is ter zake niet voorzien in een uittreden van een Participant. De Participantenovereenkomst sluit hierop aan. Daarin zijn, zo vermeldt de considerans, nadere afspraken vastgelegd ‘met betrekking tot de bijdragen in de geldmiddelen van de statutair te Hilversum gevestigde “Stichting Goois Natuurreservaat”’. Tegen deze achtergrond is niet veelzeggend dat in de toelichting op de Participantenovereenkomst niets is opgenomen waaruit de onopzegbaarheid van de overeenkomst kan volgen. De nauwe band van de overeenkomst met de statuten, waaruit blijkt van een bedoeling van iedere Participant om blijvend financieel bij te dragen aan de verwezenlijking door GNR van de statutaire doelstelling, vormt als zodanig al een duidelijke aanwijzing dat de overeenkomst niet opzegbaar is, zolang GNR zich inzet voor de verwezenlijking van de statutaire doelstelling. Hiervoor gaat evenzeer op dat de Participanten – allen overheden – geacht kunnen worden over voldoende juridische kennis te beschikken om zich dat te realiseren. Dit laatste laat ook toe om in het voorzien zijn in de Participantenovereenkomst van slechts de mogelijkheid van aanpassing van de verdeelsleutel en niet tevens van opzegging van de overeenkomst een gedraging te zien, waaruit de bedoeling valt af te leiden dat opzegging van de overeenkomst niet tot de mogelijkheden behoort, zolang GNR zich inzet voor de verwezenlijking van de statutaire doelstelling. Opzegging is een definitieve stap, terwijl aanpassing van de verdeelsleutel ruimte biedt om een Participant voor een zekere periode tegemoet te komen wanneer hij met financiële krapte kampt. En uiteindelijk is er, ook indien onopzegbaarheid als uitgangspunt is aan te houden, nog altijd de uitweg van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Die uitweg, die niet gelijk te stellen is met de weg van de krachtens billijkheid en redelijkheid aan beperking onderhavige opzegbaarheid, is ten deze door het hof niet gevolgd.
in de eerste plaatsdat het hof miskent dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen (1) dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat – waarbij een beleidswijziging in verband met afnemende overheidsmiddelen op zichzelf beschouwd geen zwaarwegende opzeggingsgrond oplevert – en/of (2) dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding.
In de tweede plaatswordt, veronderstellend dat het hof met de in rov. 2.6 genoemde beleidswijziging een zwaarwegende grond voor de opzegging gegeven acht
( [6] ), aangevoerd dat het hof daarmee onvoldoende ingaat op wat de Provincie c.s. dienaangaande hebben betoogd en derhalve ten onrechte niet uitgaat van de aanwezigheid van een zwaarwegende grond voor opzegging van de Participatieovereenkomst en/of dat het hof heeft miskend dat de opzegging gepaard dient te gaan met een schadevergoeding. Ter toelichting op dit tweede gedeelte van de klachten wordt nog een samenvatting gegeven van wat de Provincie c.s. ten processe hebben aangevoerd in het kader van het subsidiaire verweer. In belangrijke mate komt die samenvatting overeen met hetgeen de Provincie c.s. hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun standpunt dat de Participantenovereenkomst niet door een Participant kan worden opgezegd, zolang GNR uitvoering geeft aan de haar bij de statuten opgedragen taak.
( [7] )
een beleidswijziging in verband met afnemende overheidsmiddelen die haar ertoe heeft gebracht haar bijdragen te beperken tot dichter bij Amsterdam gelegen natuurgebieden,maar ook omdat is uit te gaan van een opzegging tegen 1 januari 2017 in plaats van een opzegging tegen 1 januari 2012. Bij de beoordeling of het hof terecht heeft geoordeeld dat Amsterdam de Participante-overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 1 januari 2017 zonder verder nog gehouden te zijn een (schade)vergoeding uit te betalen, zijn beide factoren – de beleidswijziging als reden voor de opzegging en de termijn van de opzegging – in onderling verband te beschouwen.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
4.Conclusie
- in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest;
- in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover daarin niet beslist is op de vordering van Amsterdam in appel om De Provincie c.s. te veroordelen tot terugbetaling van de door Amsterdam aan hen krachtens het vonnis betaalde proceskosten en mits verder beslist wordt dat het principaal cassatieberoep geen doel treft.