Conclusie
onderdeel 1wordt de vraag opgeworpen of het hof op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat [verzoeker] zijn sollicitatieplicht niet is nagekomen. Daarbij wordt gewezen op de uitspraak van Gemeente Amsterdam van 20 januari 2016 waarin het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2015, waarin hem een sollicitatieplicht is opgelegd door de Gemeente, gegrond is verklaard.
tweede onderdeelricht zich tegen de overweging dat [verzoeker] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bezwaarschrift tegen de beslissing van 20 oktober 2015 als kansrijk moet worden aangemerkt. De vraag wordt opgeworpen hoe het hof op voorhand kon aannemen dat dit niet kansrijk zou zijn. Ik lees hierin geen voor cassatie vatbare klacht en laat dit dan ook onbesproken.
ongeschikt geacht moest worden. Indien [verzoeker] van oordeel was dat hij vanwege fysieke beperkingen niet in staat was om arbeid te verrichten, had het op zijn weg gelegen om dit aannemelijk te maken, bijvoorbeeld door een keuring aan te vragen. Dit heeft hij nagelaten, ondanks dat hij door de rechter-commissaris op die mogelijkheid was gewezen. Omdat het tegendeel niet was aangetoond is het hof ook voor de periode na 1 april 2015 terecht uitgegaan de arbeidsgeschiktheid van [verzoeker] voor vier a vijf uur per dag.