ECLI:NL:PHR:2016:269
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij arrest van 30 januari 2015 legde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan betrokkene de verplichting op om een bedrag van €3.500,00 aan de staat te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde op 10 februari 2015 beroep in cassatie in tegen dit arrest. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 13 mei 2015 betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet binnen twee maanden na betekening van de aanzegging een schriftuur houdende middelen worden ingediend om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep.
Binnen deze termijn is echter geen schriftuur met middelen ingediend door betrokkene of diens raadsman. Hierdoor is betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. De zaak hangt samen met een andere bij de Hoge Raad aanhangige zaak, maar ook daarin zijn geen middelen ingediend.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van schrifturen met middelen.