ECLI:NL:PHR:2016:269

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 februari 2016
Publicatiedatum
19 april 2016
Zaaknummer
15/01054
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Bij arrest van 30 januari 2015 legde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden aan betrokkene de verplichting op om een bedrag van €3.500,00 aan de staat te betalen als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde op 10 februari 2015 beroep in cassatie in tegen dit arrest. De aanzegging van het cassatieberoep werd op 13 mei 2015 betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet binnen twee maanden na betekening van de aanzegging een schriftuur houdende middelen worden ingediend om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep.

Binnen deze termijn is echter geen schriftuur met middelen ingediend door betrokkene of diens raadsman. Hierdoor is betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene. De zaak hangt samen met een andere bij de Hoge Raad aanhangige zaak, maar ook daarin zijn geen middelen ingediend.

Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van schrifturen met middelen.

Conclusie

Nr. 15/01054
Zitting: 23 februari 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG