Conclusie
middelricht zich tegen het (bewijs)oordeel van het hof dat de verdachte heeft getracht één of meer anderen te bewegen behulpzaam te zijn bij het vervoeren van cocaïne.
na de geplande ripactie. Het probleem van deze bewezenverklaring schuilt dan ook niet zozeer in het feit dat de twee vrouwen al voordat zij door de verdachte werden aangesproken bezig waren met het vervoeren van cocaïne, zoals in het middel wordt gesteld, maar in het feit dat het oordeel dat de verdachte de twee vrouwen heeft getracht te bewegen behulpzaam te zijn bij het verdere vervoeren van de cocaïne niet goed begrijpelijk is. Hoewel het middel op dit punt strikt genomen geen klacht formuleert, kan deze klacht hier wel in worden gelezen. In het oordeel van het hof, dat de verdachte heeft getracht de twee vrouwen te bewegen behulpzaam te zijn bij het verdere vervoeren van de cocaïne, ligt in feite besloten dat de verdachte naar het oordeel van het hof heeft getracht de vrouwen te bewegen zelf het slachtoffer te worden van een ripactie. Dit laatste oordeel is zonder nadere motivering niet begrijpelijk. Nu het onderdeel van de bewezenverklaring dat betrekking heeft op verdachtes aanspreken van de twee vrouwen niet zonder problemen uit de bewezenverklaring kan worden weggelaten, kan het arrest van het hof niet in stand blijven. Dat het hof de bewezenverklaring ook niet helemaal juist heeft gekwalificeerd - de kwalificatie had moeten luiden: “om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om
daarbij behulpzaam te zijn” -, wordt hier daarom slechts ten overvloede opgemerkt.