De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voor diefstal met geweld en bedreiging. In cassatie werd aangevoerd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet in het openbaar zou hebben plaatsgevonden, wat in strijd zou zijn met het wettelijke beginsel van openbaarheid van terechtzittingen.
Echter bleek uit het proces-verbaal en het arrest niet dat het onderzoek niet openbaar was, en de verdachte stelde ook niet dat het onderzoek niet openbaar had plaatsgevonden. Bovendien had de raadsman van verdachte tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet geklaagd over het ontbreken van openbaarheid.
De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij deze klacht en dat deze klacht daarom geen behandeling in cassatie rechtvaardigde. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak bevestigt het strikte karakter van de wettelijke uitzonderingen op het beginsel van openbaarheid van terechtzittingen.