Conclusie
“een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”en onder 4
“medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 19 december 2012 toegewezen en gelast dat de straf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten de gevangenisstraf voor de duur van 425 dagen, alsnog wordt ondergaan.
middelklaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat ’s hofs verwerping van het gevoerde bewijsverweer van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
het hof begrijpt: de bijrijder) en [verdachte] (
het hof begrijpt: de bestuurder). De verdachte [verdachte] weigerde volgens eigen opgaaf zijn personalia te geven. Echter na controle in het voertuig werd in het vak van de bestuurdersportier een bruin lederen hoesje aangetroffen met een op zijn naam gesteld rijbewijs van verdachte [verdachte] .
onder meer, toevoeging hof) uit:
het hof begrijpt: zijn vriendin [betrokkene 2]) en betreffen XTC-pillen. We gingen wel eens naar een feestje en dan gebruikten we een pilletje. We wilden ze nog een keer gaan gebruiken. XTC heb ik wel gebruikt.”
'elke gedraging die wordt bedoeld te dienen ter voorbereiding van een strafbaar feit zonder dat die gedraging reeds een begin van uitvoering van dat feit oplevert (anders zou er, althans bij misdrijven, sprake zijn van een strafbare poging)'.
“A.
A.1.
A.2.
voorbereidingshandelingen heeft verricht maar dat hij
bevorderings-handelingen heeft verricht. Hieraan doet niet af dat het hof de bewezen-verklaarde feiten heeft gekwalificeerd als “
voorbereiden of bevorderen”. Het hof hoefde tussen beide alternatieven niet te kiezen nu die keuze niet van betekenis is voor de toepasselijke strafmaxima.
voorbereidings-handelingen biedt de tekst van artikel 10a Ow echter geen aanleiding. Naar de letter van de wet is in het bijzonder ook strafbaar hij die voorwerpen, vervoermiddelen of stoffen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Ow Pro. In artikel 10, vierde en vijfde lid, Ow is strafbaar gesteld – kort gezegd – het opzettelijk aanwezig hebben of vervaardigen (vierde lid) of het opzettelijk in- of uitvoeren (vijfde lid) van harddrugs.
wettekst, wetsgeschiedenis en ratio volgt […] dat voorbereidingshandelingen en bevorderingshandelingen gericht zijn op een feit wat nog begaan zal dienen te worden en derhalve niet op ‘nabereidingshandelingen’, zoals in de onderhavige zaak.”
trachten te bewegen”. De redactie van art. 10A Ow onder 3, waarop de bewezenverklaring in de onderhavige zaak is toegesneden, dwingt echter niet tot een zodanig beperkte actieradius van die bepaling, en evenmin doet de parlementaire geschiedenis van de wet dat.
uitbreiding van de strafbaarheid”. De betreffende uiteenzettingen van regeringswege hebben telkens in het bijzonder betrekking op de voorbereidingshandelingen:
handelingen die die verdachte na afloop van door anderen gepleegde strafbare feiten heeft verricht” – waarbij met de door anderen gepleegde strafbare feiten in de onderhavige zaak zal zijn gedoeld op de productie van MDMA/XTC – kunnen worden aangemerkt als bevorderingshandelingen omdat die een zelfstandig karakter hebben en niet samenvallen met de eisen die aan medeplegen worden gesteld.
een uitbreiding van de strafbaarheid – niet alleen naar voren maar ook in de breedte”. [7] Als voorbeeld geeft hij “
het voorhanden hebben van ene lijst van adressen van drugsdealers om daarmede van dienst te zijn wie erom zou komen vragen om met die dealers handel te drijven.” [8] Ook dat is een gedraging die niet tot de voorfase beperkt hoeft te zijn.