De verdachte was door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van een opzettelijk verboden handelen volgens de Opiumwet en het doen van meerdere ambtelijke beloften met het oogmerk ambtenaren te bewegen in strijd met hun plicht te handelen.
In het cassatieberoep stelde de verdediging dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat PIN-nummers van BlackBerry-telefoons unieke en onveranderlijke nummers zijn, die gebruikt worden voor communicatie ('pingen'). Het hof had dit als een feit van algemene bekendheid aangenomen.
De Procureur-Generaal stelde dat het voor de verdachte zonder noemenswaardige moeite mogelijk was deze informatie te achterhalen via algemeen toegankelijke bronnen, zoals Wikipedia, en dat het hof derhalve terecht had geoordeeld. Het cassatieberoep werd verworpen omdat de bewezenverklaringen voldoende waren gemotiveerd en het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd.
De Hoge Raad vond geen gronden om ambtshalve te vernietigen en bevestigde het arrest van het hof. Hiermee bleef de veroordeling van zes jaar gevangenisstraf in stand.