ECLI:NL:PHR:2016:310

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 januari 2016
Publicatiedatum
26 april 2016
Zaaknummer
15/04260
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 420bis WvSrArt. 420ter WvSrArt. 420quater WvSrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking teruggave inbeslaggenomen voertuigen wegens onjuiste maatstaf en onvoldoende motivering

De Rechtbank Oost-Brabant had bij beschikking van 26 juni 2015 het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave gelast van twee inbeslaggenomen personenauto's aan klager. Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze beschikking met het middel dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had gehanteerd en onvoldoende had gemotiveerd.

De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank kennelijk uitging van een beslag op grond van artikel 94 Sv Pro, bedoeld voor waarheidsvinding en het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. De juiste maatstaf bij beklag tegen een dergelijk beslag is dat de rechter moet beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vereist, en dat teruggave niet mag worden gelast als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later tot verbeurdverklaring zal overgaan.

De rechtbank had echter geoordeeld dat het niet waarschijnlijk was dat verbeurdverklaring zou volgen, wat een onjuiste maatstaf is. Bovendien had de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom zij ondanks de door het OM aangevoerde ernstige bezwaren tegen klager tot teruggave was gekomen.

De Hoge Raad vond geen ambtshalve vernietigingsgronden en vernietigde de beschikking. De zaak werd verwezen naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor herbehandeling van het klaagschrift op basis van de juiste maatstaf en een deugdelijke motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof voor herbeoordeling.

Conclusie

Nr. 15/04260 B
Zitting: 26 januari 2016
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[klager].
1. Bij beschikking van 26 juni 2015 heeft de Rechtbank Oost-Brabant het klaagschrift, strekkende tot teruggave van twee inbeslaggenomen personenauto’s, gegrond verklaard en de teruggave gelast van deze personenauto’s aan klager.
2. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel houdt in dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd dan wel haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
4. De bestreden beschikking houdt onder meer in:
“De rechtbank zal, nu het handhaven van voornoemd beslag niet meer nodig is ten behoeve van de waarheidsvinding en het naar haar oordeel niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan en niet is gebleken dat het in beslag houden van voornoemde personenauto’s enig ander strafvorderlijk belang dient en klager ten aanzien van deze personenauto’s redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, het klaagschrift dan ook gegrond verklaren als na te melden.”
5. Zoals de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie [1] heeft gesteld en de Rechtbank kennelijk tot uitgangspunt heeft genomen gaat het in casu om een beslag, gelegd op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv Pro, en wel “tbv de waarheidsvinding en/of het aantonen en vaststellen van wederrechtelijk verkregen voordeel, dat voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.”
6. In HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis overwoog de Hoge Raad ten aanzien van de maatstaf die dient te worden aangelegd bij de beoordeling van een beklag tegen beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv Pro – met inbegrip van de hier niet vermelde voetnoten - :
“2.8. In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.
2.9. Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen - ook in een zaak betreffende een ander dan de klager - of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.”
7. In de onderhavige beschikking heeft de Rechtbank met betrekking tot een te verwachten verbeurdverklaring als maatstaf aangelegd dat “niet waarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring zal overgaan”. Dusdoende heeft de Rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd. Zoals het hiervoor aangehaalde arrest laat zien is de maatstaf immers of “niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van het voorwerp zal bevelen”.
8. Bij schriftelijke conclusie heeft de Officier van Justitie als standpunt ingenomen:
“Klager/verdachte is in het bezit van meerdere (duurdere) . vermogensbestanddelen i.c. voertuigen, waaronder de inbeslaggenomen personenauto's, terwijl van hem geen enkele vorm van inkomen bekend is. De gang van zaken rondom de verkrijging van voormelde voertuigen, incl de inbeslaggenomen auto's kan naar de mening van het Openbaar Ministerie als een witwashandeling, als bedoeld in artikel 420bis/ter/quater WvSR, worden gekwalificeerd.
Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn ingevolge art. 33a Sr voorwerpen mbt welke het strafbaar feit is begaan en/of welke door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.
Het OM is van mening dat er voldoende ernstige bezwaren bestaan tegen klager/verdachte van betrokkenheid bij voormeld strafbaar feit.
Het OM verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.”
Voorts heeft de Officier van Justitie bij schriftelijke conclusie uiteengezet waarop de verdenking van klager berust door vermelding van een groot aantal, bij het opsporingsonderzoek geconstateerde feiten.
9. Bedoelde feiten maken het op het eerste gezicht bepaald niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring (...) van de onderhavige inbeslaggenomen auto’s zal bevelen. Door niettemin in de bestreden beschikking geheel aan de door de Officier van Justitie genoemde feiten voorbij te gaan heeft de Rechtbank haar beschikking onvoldoende gemotiveerd.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zoals de Rechtbank overweegt en in het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer staat vermeld heeft de Officier van Justitie bij de behandeling van het klaagschrift bij zijn schriftelijke conclusie gepersisteerd.