Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Als op de partij aan wie de zaak is overgedragen of het geld is overhandigd géén teruggaveplicht rust, moet de overeenkomst gekwalificeerd worden als een schenking. In de praktijk komt het nogal eens voor dat aanspraak wordt gemaakt op terugbetaling van een geldsom op grond van de stelling dat het geld is uitgeleend, terwijl de ontvanger stelt dat het geld hem is geschonken. In beginsel volgt uit art. 150 Rv Pro dat de eiser het bestaan van de verbintenis tot teruggave dient te bewijzen. [11]
nietbepaalt op welk tijdstip de lener het geleende moet teruggeven, moet hij het op eerste aanvraag en alsdan terstond teruggeven, zie art. 6:38 BW Pro. [13] Ingevolge art. 7A:1797 BW kan de rechter de lener dan echter, naar gelang van de omstandigheden, ‘enig uitstel toestaan’. Zowel ten aanzien van het verlenen van het uitstel als de duur daarvan is de rechter vrij. [14]
Stb2011, 246) tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66) is een nieuwe titel 2A betreffende consumentenkredietovereenkomsten in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ingevoegd. Deze wet beoogde uitsluitend te regelen wat noodzakelijk was voor de implementatie van Richtlijn 2008/48/EG. Nu op Europees niveau de regels met betrekking tot het consumentenkrediet voorlopig zijn uitgekristalliseerd, is de tijd ook rijp om gevolg te geven aan de toezegging in het verleden om de overgebleven privaatrechtelijke materie van de Wet op het consumentenkrediet alsmede de materie van de koop op afbetaling en de huurkoop in titel 7A.5A van het Burgerlijk Wetboek en in de Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken tezamen in een aanvulling van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek te regelen, waarbij rekening moet worden gehouden met de Implementatiewet. [23] Een belangrijk punt is daarbij dat zo kan worden tegemoetgekomen aan de behoefte om de op dit punt bestaande regels te verminderen of te versoepelen en beter op elkaar af te stemmen. Daarbij is vooral gestreefd naar vermindering van dwingend recht. [24] Voor zover van belang wil de wetgever de regeling van verbruikleen van geld moderniseren, wat tot een vermindering van regels leidt.
De artikelen met betrekking tot de geldlening zijn opgenomen in Titel 2C van het concept-wetsvoorstel. Art. 124 van Pro het concept-wetsvoorstel handhaaft, kennelijk in navolging van Van Schaick, in beginsel art. 7A:1798 BW voor wat betreft het beding dat de lener de geldsom zal terugbetalen ‘wanneer hij daartoe in staat zal zijn’. De bepaling maakt duidelijk ‘dat het hier geen overeenkomst voor onbepaalde tijd betreft, maar één onder een - zij het vage - tijdsbepaling’ [25] . Het beding impliceert volgens de concept-toelichting dat de lener verplicht is het nodige te doen om zich weer tot terugbetaling in staat te stellen. Uitgangpunt is voorts dat de lener op het tijdstip van de geldlening niet over voldoende middelen beschikt, maar daarover later wel zal beschikken. De bewijslast dat de lener weer tot terugbetaling in staat is, zal in beginsel op de uitlener rusten met dien verstande dat de lener verplicht zal zijn een eventuele ontkenning behoorlijk te motiveren en daartoe de gegevens te verschaffen waarover hij beschikt. [26] Ten opzichte van het Ontwerp van Van Opstall is het belang van art. 124 gelegen Pro in de stelplicht: de uitlener kan – net als nu onder toepassing van art. 7A:1798 BW – volstaan met het stellen van de leenovereenkomst en de niet terugbetaling. Het is dan aan de lener om te stellen en zonodig te bewijzen dat hij niet in staat is tot terugbetaling. [27]
kwalificerenals een bepaalde overeenkomst. Dit is een rechtsoordeel.
verplichtingtot terugbetaling van dit bedrag onder de opschortende voorwaarde dat [verweerder] daartoe de mogelijkheid had.” (cursivering mijnerzijds, A-G). Daarmee is aan alle bestanddelen die worden genoemd in art. 7A:1798 BW (zie punt 2.6) voldaan. Gezien het feit dat dit artikel valt binnen Titel 14 van Boek 7A BW (bruikleen) en de overeenkomst van geldlening als een species van de bijzondere overeenkomst van bruikleen moet worden aangemerkt, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van geldlening. De overweging van het hof dat in het midden kan blijven of sprake is van een overeenkomst van geldlening of van schenking, kan dat niet anders maken.
niethebben bepaald op welk specifiek tijdstip hij het aan hem verstrekte (in het licht van het bovenstaande: geleende) bedrag aan [eiseres] diende terug te geven. Dit bracht ingevolge het hiervoor weergegeven juridisch kader in beginsel mee dat [verweerder] het door hem ontvangen bedrag van € 10.000,- op vordering van [eiseres] terstond aan haar diende terug te geven (zie hiervoor bij punt 2.6). Het hof heeft de tussen partijen gemaakte afspraken gekwalificeerd als een overeenkomst ingevolge waarvan [eiseres] aan [verweerder] een bedrag van € 10.000,- zou verstrekken, “met de verplichting tot terugbetaling van dit bedrag onder de opschortende voorwaarde dat [verweerder] daartoe de mogelijkheid had”. Dit oordeel is niet door middel van een incidenteel cassatieberoep bestreden. Zoals hiervoor tot uitgangspunt is genomen, valt de aldus weergegeven afspraak tussen partijen onder het bereik van art. 7A:1798 BW. Besproken is dat art. 7A:1798 BW de uitlener, in het geval de lener het verweer voert dat hij niet in staat is om het door hem ontvangen bedrag terug te betalen, ontslaat van de conform de hoofdregel van bewijslastverdeling op hem rustende verplichting om te bewijzen dat de lener wel in staat is om zijn teruggaveplicht na te komen. Ingevolge de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 24 november 1927 verplicht art. 7A:1798 BW de rechter om bij een hem voorgelegd geschil over de tijd van teruggave van de ontvangen (geleende) goederen
ambtshalvedan wel op verzoek van een partij die meent dat een beslissing omtrent dit punt met haar belangen strookt, de tijd van teruggave te bepalen (zie bij punt 2.6). Voor het onderhavige geval brengen deze regels mee dat [eiseres] kon volstaan met het stellen van de inhoud van de overeenkomst, welke inhoud het hof blijkens de eerste volzin van rov. 4.6 heeft vastgesteld, en dat zij op grond daarvan teruggave kon vorderen of kon vorderen dat de rechter het tijdstip van teruggave bepaalt. Het was vervolgens aan [verweerder] om bij wijze van verweer vaststelling van een (andere) termijn te vragen. Bij honorering van dit verweer diende het hof zelf een termijn voor terugbetaling te bepalen. Het hof heeft over het hoofd gezien dat de door hem als zodanig aangenomen verplichting tot terugbetaling van [verweerder] voortvloeide uit de wet en dat de door het hof aangenomen opschortende voorwaarde voor nakoming van die verplichting geen voorwaarde
sui generiskon zijn waarvan het bewijs voor het vervuld zijn daarvan op [eiseres] rustte.
Onderdeel 2.1is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 en klaagt dat het hof bij de beoordeling van het hoger beroep en de toewijsbaarheid van de vordering van [eiseres] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening ten onrechte dan wel onbegrijpelijk geen beslissende betekenis heeft toegekend aan (i) de door [eiseres] gestelde toezegging van [verweerder] dat hij het bedrag van € 10.000,- (onverplicht) zou terugbetalen [28] (rov. 4.9) en (ii) het feit dat [verweerder], na beëindiging van de affectieve relatie in maart 2010, vanaf 29 maart 2010 gedurende achttien maanden een bedrag van € 55,- per maand al had overgemaakt aan [eiseres], onder vermelding van “Dank Rente” op het rekeningafschrift. Het onderdeel klaagt dat het hof de genoemde toezegging en de termijnbetalingen ten onrechte niet met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden heeft aangemerkt als een bevestiging dat [verweerder] na de beëindiging van de affectieve relatie gehouden en bereid was en ook is overgegaan tot terugbetaling van het geleende bedrag. Dit kan volgens het onderdeel niet anders worden begrepen dan dat partijen ten aanzien van de overeenkomst van geldlening hebben afgesproken dat [verweerder] het door [eiseres] aan hem uitgeleende bedrag van € 10.000- aan haar zou (gaan) terugbetalen na beëindiging van de affectieve relatie. Het hof heeft ten onrechte geconcludeerd en verder tot uitgangspunt genomen dat er geen sprake is (was) van een verplichting tot terugbetaling omdat niet vaststond dat de opschortende voorwaarde dat [verweerder] daartoe de mogelijkheid had, in vervulling was gegaan. Uit de toezegging en de gedane termijnbetalingen na beëindiging van de affectieve relatie in 2010 had het hof behoren te concluderen dat aan de genoemde partijafspraak was voldaan, nu [verweerder] (in elk geval) toen reeds bereid en in staat was op de lening van € 10.000,- aan [eiseres] maandelijkse rentebetalingen te voldoen. Het onderdeel klaagt dat in dat licht bezien de bestreden oordelen onbegrijpelijk zijn.
verplichtingvan [verweerder] tot terugbetaling van het bedrag van € 10.000,- onder de opschortende voorwaarde dat hij daartoe de mogelijkheid had, zijn de door [verweerder] gedane betalingen (met de door [verweerder] op het afschrift in kwestie gegeven kwalificatie) aan te merken als betalingen ter delging van de schuld uit de (aangenomen) overeenkomst van geldlening. Het onderdeel klaagt terecht dat de gedane maandelijkse betalingen relevant zijn voor de kwalificatie van de overeenkomst als een overeenkomst van geldlening. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat de lening deels, zij het in geringe mate (in totaal € 990,-), is terugbetaald. Het hof heeft aan dit van belang zijnde feit in de bestreden rechtsoverwegingen geen kenbare aandacht besteed.
zonderenige tijdsbepaling, het hof de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van de vordering van [eiseres] niet (zonder meer) kon bekrachtigen. Ter toelichting stelt het onderdeel dat het hof in dat geval op de voet van art. 7A:1797 BW in de gegeven omstandigheden gehouden was om de vordering van [eiseres] uit hoofde van geldlening toe te wijzen, waarbij het aan [verweerder] uitstel tot betaling kon toestaan. Althans heeft het hof volgens het onderdeel ten onrechte deze wetsbepaling niet toegepast.
nietop de uitlener. In het onderhavige geval heeft het hof niet vastgesteld dat [verweerder] niet in staat is (zal zijn) om zijn (aangenomen) verplichting tot terugbetaling in het geheel niet na te komen. Het hof had dan ook op grond van art. 7A:1798 BW de tijd van teruggave moeten bepalen. Daarvoor was een verzoek van de kant van één van partijen niet noodzakelijk. Het onderdeel slaagt dan ook.
nietvastgesteld wat precies de titel is geweest voor de betaling door [eiseres] aan dan wel ten behoeve van [verweerder] van de bedragen van € 1.700,- respectievelijk € 895,-. Het hof heeft met betrekking tot beide bedragen overwogen dat [eiseres] heeft aangevoerd dat zij deze “simpelweg heeft betaald”. Met betrekking tot het ten behoeve van [verweerder] aan Leaseproces betaalde bedrag van € 895,- heeft het hof overwogen dat [verweerder] heeft
verklaarddat hij het bedrag aan [eiseres] zou terugbetalen indien de Dexia-procedure gunstig zou verlopen, hetgeen niet is gebeurd. Het hof heeft vervolgens overwogen dat met betrekking tot beide genoemde bedragen “derhalve” niet vaststaat dat sprake is van een verplichting tot terugbetaling. Voor wat betreft het door [eiseres] betaalde bedrag van € 895,- had het hof evenwel een oordeel moeten geven over de vraag of de hiervoor weergegeven stelling van [verweerder]
al dan niet juist is. Dit is namelijk van belang om vast te stellen of er al dan niet een verbintenis tot teruggave kan bestaan. Dat heeft het hof evenwel niet gedaan. Het hof kon derhalve zonder de vaststelling dat de stelling van [verweerder] juist is, niet tot het oordeel komen dat geen sprake is van een verplichting tot terugbetaling. In het licht van het feit dat het hof geen antwoord heeft gegeven op de vraag wat nu precies de titel is geweest voor de betaling van beide bedragen (lening, schenking of anderszins) kon het in rov. 4.12 vervolgens niet tot het oordeel komen dat de betalingen geen rechtsgrond ontberen als bedoeld in art. 6:203 lid 1 BW Pro. De onderdelen slagen derhalve.