Conclusie
ten behoeve van het in Turkije tegen haar gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor haar overlevering wordt verzocht”. Het uitleveringsverzoek van 1 augustus 2014, waarnaar de rechtbank in haar beslissing onder 1 verwijst, bevat een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht. In het uitleveringsverzoek zelf worden de feiten samengevat als het “
in georganiseerd verband handelen en voorzien in verdovende middelen of stimulerende middelen, oprichten en leiden van een criminele organisatie” gepleegd op 23 juni 2006 te Istanbul. Gelet op het uitleveringsverzoek lees ik de beslissing van de rechtbank verbeterd in die zin dat de rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard ter zake van de feiten waarvoor de
uitleveringwordt verzocht en niet voor de feiten waarvoor de
overleveringwordt verzocht.
eerste middelbehelst de klacht dat “
de rechtbank volledig voorbij is gegaan aan”drie feiten en omstandigheden die door de raadsman naar voren zijn gebracht, te weten
:
“dat verzoekster weldegelijk in Nederland reeds eerder vervolgd is voor het feit waarvoor Turkije uitlevering heeft verzocht”;
het ontbreken van deze duidelijkheid” waarmee is gedoeld op de wijze waarop de zaak is geëindigd,
dat verzoekster in onderzoek Spohr een eigen parketnummer had, als verdachte is verhoord en er onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden”.
tweede middelbehelst de klacht dat de rechtbank “
voorbij is gegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt” dat het verhoor van [de opgeëiste persoon], voor het feit ter zake waarvan Turkije thans de uitlevering heeft verzocht, “
reeds gezien kan worden als een daad van vervolging voor dat feit.”
Artikel 9 EUV Pro:
Artikel 9 Uw Pro:
volledig voorbij is gegaan aan”ten eerste “
hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht”; ten tweede “
het ontbreken van deze duidelijkheid” waarmee is gedoeld op de wijze waarop de zaak is geëindigd, en ten derde “
dat verzoekster in onderzoek Spohr een eigen parketnummer had, als verdachte is verhoord en er onderzoekshandelingen hebben plaatsgevonden”. De rechtbank is niet aan de door deze feiten en omstandigheden voorbijgegaan doch heeft daaruit slechts andere conclusies getrokken. Het eerste middel mist feitelijke grondslag en faalt daarom.
onderzoek Spohr” betrekking heeft gehad op dezelfde feiten als waarvoor thans de uitlevering van [de opgeëiste persoon] wordt verzocht, dat in het kader van dat onderzoek geen vervolging van [de opgeëiste persoon] heeft plaatsgevonden en dat daarom evenmin in dat kader een kennisgeving van niet verdere vervolging aan [de opgeëiste persoon] kan zijn uitgegaan. Aldus gelezen heeft de rechtbank echter geen uitdrukkelijk antwoord gegeven op de stelling van de verdediging dat de vervolging van [de opgeëiste persoon] was aangevangen in het onderzoek Spohr op de grond dat zij in die zaak is verhoord en de officier van justitie de raadsman van [de opgeëiste persoon] destijds had laten weten dat zij niet zou worden vervolgd voor de feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht.
omdat aan berechting in het buitenland de voorkeur werd gegeven” waarop artikel 9, derde lid, Uitleveringswet betrekking heeft in geval de vervolging is gestaakt. Toepassing naar analogie van deze regeling ligt voor de hand indien de vervolging niet is gestaakt maar daarvan is afgezien. Doch, ook daarover heeft niet de uitleveringsrechter te oordelen, maar de minister van Veiligheid en Justitie.