Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair
subsidiair
2.Bespreking van het cassatiemiddel
gestelddat de uren die door [B] zijn gedeclareerd als schade voor rekening van [betrokkene 1] dienen te komen, maar veeleer dat het hof van oordeel is dat EBW onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft om aan te kunnen nemen dat de door [B] gedeclareerde uren als voor rekening van [betrokkene 1] komende
schadekunnen worden gekwalificeerd.
nadatBeekaa het werk had verlaten, niet valt in te zien dat deze uren volledig voor rekening van Beekaa komen (i). Voorts heeft het hof overwogen dat na het vertrek van Beekaa EBW zelf volledig verantwoordelijk was voor de werktuigbouwkundige werkzaamheden, inclusief het aansturen van de werknemers van [B] en het houden van toezicht op de kwaliteit en de omvang van het door hen verrichte werk (ii). Daaraan voegt het hof vervolgens toe dat EBW niet voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de door [B] na 16 maart 2006 uitgevoerde werkzaamheden steeds het gevolg waren van de gebrekkige wijze waarop de werkzaamheden eerder onder toezicht van [betrokkene 2] waren uitgevoerd (iii) of voortvloeien uit door Beekaa zonder deugdelijke vastlegging aanvaarde meerwerkopdrachten (iv). Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat
enerzijdsde door [B] over de periode na het vertrek van Beekaa gedeclareerde uren kunnen blijken (gedeeltelijk) voor rekening te moeten komen van EBW nu deze betrekking hebben op nog niet uitgevoerde werkzaamheden (i) dan wel tot haar verantwoordelijkheid behoren (ii), terwijl
anderzijdsniet duidelijk is dat de gedeclareerde uren voor rekening van Beekaa behoren te komen op de grond dat deze kunnen worden teruggevoerd op tekortkomingen harerzijds (iii en iv). Daaraan wordt nog toegevoegd dat uit de door EBW ingebrachte stukken niet valt af te leiden voor welk bedrag EBW de werktuigbouwkundige werkzaamheden heeft doorbelast aan haar opdrachtgever, zodat ook van die kant bezien onvoldoende is toegelicht dat EBW als gevolg van het falen van Beekaa enige schade heeft geleden (rov. 3.17).
tothet vertrek van Beekaa (ad € 93.450,-) heeft het hof in aanmerking genomen dat uit de stukken niet kan worden afgeleid in hoeverre EBW deze uren heeft kunnen doorbelasten aan haar opdrachtgever [A] (i) en dat ten tijde van de ontbinding in totaal ca € 155.000,- aan loonkosten was betaald (ii) (rov. 3.18). Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking gebracht dat niet is gebleken dat de gedeclareerde uren geen betrekking hadden op de overeengekomen (op een bedrag van € 192.328 gecalculeerde) werkzaamheden (ii) en dat zij niet vielen onder de door EBW aangenomen en derhalve bij haar opdrachtgever [A] in rekening te brengen werkzaamheden (i).
subonderdeel 3.3wordt met een rechts- en een motiveringsklacht opgekomen tegen de betekenis die het hof bij de bepaling van de schade heeft toegekend aan de omstandigheden (i) dat na het vertrek van Beekaa EBW zelf volledig verantwoordelijk was voor het toezicht op de kwaliteit en de omvang van het door de werknemers van [B] verrichte werk (rov. 3.17), en (ii) dat de vertragingen en overschrijdingen van de geschatte uren en het opdragen van extra werkzaamheden deels ook op het conto van EBW en de opdrachtgever moeten worden geschreven (rov. 3.13).
subonderdeel 4.1dat het hof in de rov. 3.17 en 3.18 onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat uit de stukken niet kan worden afgeleid in hoeverre EBW kosten heeft kunnen doorbelasten aan haar opdrachtgever. Volgens het middel is het hof buiten de rechtsstrijd getreden door in zijn motivering betekenis toe te kennen aan de door het hof aangenomen onzekerheid over de niet-doorbelastbaarheid, zonder dat de curator heeft betwist dat EBW het meerwerk niet kon doorbelasten; hierdoor zou het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben gegeven.
volledigvoor rekening van [betrokkene 1] moeten worden gebracht. Zij wijst erop dat deze kosten in haar schadeopstelling zijn betrokken in een
vergelijkingtussen de feitelijke uitgaven en de overeengekomen aanneemsom.
steedsa) het gevolg waren van de gebrekkige wijze waarop de werkzaamheden eerder onder toezicht van [betrokkene 2] waren uitgevoerd of b) voortvloeien uit door Beekaa zonder deugdelijke vastlegging aanvaarde meerwerkopdrachten. EBW wijst erop dat zij na het vertrek van Beekaa de werkzaamheden heeft moeten laten
afmaken, zodat zij haar vordering niet heeft gebaseerd op de stelling dat de na 16 maart 2006 uitgevoerde werkzaamheden ‘steeds’ samenhingen met de door het hof onder a) en b) genoemde omstandigheden.