ECLI:NL:PHR:2016:385

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2016
Publicatiedatum
24 mei 2016
Zaaknummer
14/06174
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen middelen cassatie

Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 14 november 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeventien jaren wegens medeplegen van doodslag en daaraan gerelateerde strafbare feiten. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte.

De verdachte stelde beroep in cassatie in, maar diende geen schriftuur met middelen van cassatie in binnen de wettelijke termijn. De aanzegging van het cassatieberoep werd rechtsgeldig betekend aan de verdachte en zijn raadsman.

Omdat niet aan het vereiste van art. 437, tweede lid, Sv is voldaan, kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 14/06174
Zitting: 12 april 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 14 november 2014 de verdachte wegens subsidiair “medeplegen van doodslag, gevolgd en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 14/06092), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging in cassatie is op 18 augustus 2015 in persoon uitgereikt aan de verdachte op zijn detentie-adres. Bovendien is op 14 september 2015 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsvrouwe van de verdachte (mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder a, sub 1°, Sv rechtsgeldig betekend.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG