In deze zaak stond de vraag centraal of de staandehouding van verdachte onrechtmatig was en of dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. De verdachte werd kort na een inbraak aangetroffen in een auto nabij de plaats delict, waarbij het signalement van de inzittenden overeenkwam met dat van de daders. Het hof oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was en dat er voldoende bewijs was voor veroordeling.
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de staandehouding bewijsuitsluiting rechtvaardigde, maar de Hoge Raad stelde dat dit verweer onvoldoende was onderbouwd met de vereiste factoren uit art. 359a Sv. Bovendien was het hof niet onjuist in zijn oordeel dat de staandehouding niet onrechtmatig was, gelet op de waarnemingen van de verbalisant en het tijdstip en de locatie van de aanhouding.
Ten aanzien van het bewijs werd aangevoerd dat de kleding van verdachte onvoldoende onderscheidend was, maar het hof achtte de combinatie van signalement, kledingmerk en locatie voldoende om de bewezenverklaring te motiveren. De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf en de opgelegde betalingsverplichting in stand bleven.