ECLI:NL:PHR:2016:388

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2016
Publicatiedatum
24 mei 2016
Zaaknummer
15/00057
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359a SvArt. 81.1 ROArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid staandehouding en bewijsvoering bij diefstalzaak

In deze zaak stond de vraag centraal of de staandehouding van verdachte onrechtmatig was en of dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. De verdachte werd kort na een inbraak aangetroffen in een auto nabij de plaats delict, waarbij het signalement van de inzittenden overeenkwam met dat van de daders. Het hof oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was en dat er voldoende bewijs was voor veroordeling.

De verdediging voerde aan dat het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de staandehouding bewijsuitsluiting rechtvaardigde, maar de Hoge Raad stelde dat dit verweer onvoldoende was onderbouwd met de vereiste factoren uit art. 359a Sv. Bovendien was het hof niet onjuist in zijn oordeel dat de staandehouding niet onrechtmatig was, gelet op de waarnemingen van de verbalisant en het tijdstip en de locatie van de aanhouding.

Ten aanzien van het bewijs werd aangevoerd dat de kleding van verdachte onvoldoende onderscheidend was, maar het hof achtte de combinatie van signalement, kledingmerk en locatie voldoende om de bewezenverklaring te motiveren. De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf en de opgelegde betalingsverplichting in stand bleven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 15/00057
Zitting: 12 april 2016
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 23 december 2014 door het gerechtshof Amsterdam wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, één en ander als nader in het arrest omschreven. Tot slot heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (14/06558) en [medeverdachte 2] (15/00058). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer in verband met een onrechtmatige staandehouding heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.
Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en gemotiveerd verworpen:
“Rechtmatigheid staandehouding
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer herhaald dat de staandehouding van de verdachte onrechtmatig zou zijn geweest. Dit vormverzuim zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt dit verweer en volgt hierbij de rechtbank.
Op 8 oktober 2012 om 6:36 uur belt getuige [getuige] de politie met de melding dat hij heeft gezien dat een man door een geopend raam van een benedenwoning aan de [a-straat 1] te Amsterdam naar binnen was gegaan. Kort daarna zag de getuige dat via hetzelfde raam drie mannen de woning verlieten. De getuige merkte op dat zij allen donker gekleed waren en vermoedelijk van Noord- Afrikaanse/Marokkaanse afkomst waren. De getuige zag ook dat een van de mannen een zwarte Adidas trainingsbroek met witte strepen droeg.
Verbalisant [verbalisant] krijgt om 6:37 uur voornoemde melding door en is in de directe omgeving aanwezig. Hij spoedt zich richting de plaats delict en onderweg treft hij een personenauto komende uit de richting van de Rijpgracht en gaande in de richting van de Willem de Zwijgerlaan. Tegelijkertijd krijgt hij de resterende hiervoor genoemde informatie over de inbraak door. Omdat de volgens hem drie inzittenden aan het signalement voldoen gaat hij achter de personenauto, een zwarte Toyota Yaris aan. Als deze met inzittenden uiteindelijk wordt staande gehouden op zijn aanwijzingen ziet de verbalisant dat zich daarin 4 personen bevinden die voldoen aan het signalement zoals dat is verspreid. Een van hen is de verdachte.
De Toyota Yaris was op het eerste moment van aantreffen volgens de waarneming van verbalisant [verbalisant] het enige voertuig op een verder uitgestorven straat. Het hof heeft geen reden op dit punt te twijfelen aan het ambtsedig proces-verbaal van de verbalisant en gaat er, anders dan de raadsman, van uit dat er inderdaad geen ander verkeer was. Gelet op het tijdstip is dit ook niet onaannemelijk. Dat er nog andere zij- en/of dwarsstraten in de omgeving zijn, zoals de raadsman stelt, betekent niet dat de personen in de auto niet als verdachten aangemerkt hadden mogen worden. Feit blijft dat de plaats waar verbalisant [verbalisant] de personenauto voor het eerst zag, zich in de nabije omgeving van de [a-straat 1] bevindt.
Voorts voldeden de verdachten aan het gegeven signalement (Noord-Afrikaans/Marokkaans en donker gekleed). Dit waren kenmerken die de verbalisant eveneens heeft kunnen waarnemen.
Kortom: de verdachte is zeer kort na de inbraak aangetroffen op een locatie in de buurt van de plaats delict alwaar het verder “uitgestorven” leek te zijn en hij voldeed aan het signalement. Deze feiten en omstandigheden konden in redelijkheid een vermoeden van schuld doen ontstaan. Het hof acht dan ook de staandehouding van de verdachte rechtmatig.“
6. Het middel neemt tot uitgangspunt dat het hof, indien de staandehouding onrechtmatig was bevonden, had moeten besluiten tot bewijsuitsluiting. Dat uitgangspunt is onjuist. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep is ten aanzien van het beoogde rechtsgevolg van bewijsuitsluiting niet meer opgemerkt dan dat het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld ten tijde van de staandehouding ernstig genoeg is voor bewijsuitsluiting “omdat een ieder vrijelijk moet kunnen bewegen in zijn auto zonder inmenging van de politie”. Niet gesteld is dat door de beweerdelijk onrechtmatige staandehouding aan het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan dan wel dat een andere grond voor bewijsuitsluiting aanwezig is die door de Hoge Raad als zodanig is aanvaard. [1] Een voldoende onderbouwing aan de hand van de in het tweede lid van art. 359a Sv neergelegde factoren ontbreekt. Reeds daarop strandt het middel.
7. Het oordeel van het hof dat de staandehouding niet onrechtmatig was, getuigt voorts niet van een onjuiste opvatting en is niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat de verbalisant een minuut na de melding van de inbraak in de directe omgeving van de plaats van het delict een auto – in een verder uitgestorven straat- heeft waargenomen met inzittenden die voldoen aan het door degene die de inbraak heeft gemeld opgegeven signalement.
8. Het middel faalt.
9. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd, in het bijzonder ten aanzien van het signalement dat door de getuige [getuige] is gegeven en de door de verdachte gedragen kleding.
10. Het hof heeft in dit verband het volgende overwogen:
“Bewijs
Ten aanzien van het bewijs heeft de raadsman naar voren gebracht dat er onvoldoende bewijs is tegen de verdachte. Het feit dat hij een Adidas trainingsbroek droeg, zoals ook gezien door de getuige [getuige], acht de raadsman onvoldoende onderscheidend. (…)
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De getuige [getuige] geeft bij zijn melding door dat hij drie jongens van vermoedelijk Noord- Afrikaanse/Marokkaanse afkomst en donker gekleed uit de woning waar, naar later bleek, was ingebroken zag komen. Hij verklaart dat een van hen een zwart Adidas trainingspak met witte strepen droeg.
Bij de aanhouding zijn naast verdachte nog twee verdachten met Noord-Afrikaanse/Marokkaanse achtergrond aangehouden, te weten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Alle drie droegen zij donkere kleding, waarvan de verdachte een Adidas-broek droeg zoals beschreven door de getuige.”
11. De steller van het middel merkt op dat de getuige [getuige] in zijn verklaring slechts rept van een donkere broek en niet de kleur zwart noemt (bewijsmiddel 3). Uit bewijsmiddel 4 volgt evenwel dat de melding betrekking had op een “zwart trainingspak van het merk Adidas”. In zoverre faalt het middel.
12. Aan de begrijpelijkheid van het bewijsoordeel doet evenmin af dat de getuige [getuige] heeft gemeld dat één van de jongens een Adidas trainingspak aan had, terwijl de verdachte volgens de steller van het middel slechts een broek van het merk Adidas droeg en uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte bij zijn aanhouding een jasje/vestje van het merk Nike droeg. Het hof heeft in dit verband slechts verwezen naar de Adidas-broek die de verdachte droeg. Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat niet alle kledingstukken die de verdachte droeg van dat merk zouden zijn. Het hof is er kennelijk en niet onbegrijpelijk vanuit gegaan dat de melding door de getuige [getuige] van het genoemde kledingmerk berust op zijn waarneming van de trainingsbroek en de daarop aangebrachte kenmerkende drie verticale strepen (vgl. ook bewijsmiddel 4). Voor het overige stuit het middel af op de grenzen van de toetsing in cassatie. Zo bevat de toelichting op het middel stellingen van feitelijke aard waarop in cassatie niet met vrucht voor het eerst een beroep kan worden gedaan.
13. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden voor cassatie heb ik niet aangetroffen.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. Keulen en HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2956, NJ 2015/430.