In deze zaak stond de rechtmatigheid van een staandehouding centraal, waarbij verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij een inbraak in een woning te Amsterdam. De politie hield verdachte kort na een melding van een inbraak staande in een vrijwel uitgestorven straat nabij de plaats delict, waarbij verdachte en medeverdachten voldeden aan het signalement dat door een getuige was doorgegeven.
De verdediging voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was en dat dit tot bewijsuitsluiting moest leiden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verweer terecht verwierp, omdat niet was gesteld dat de onrechtmatigheid het recht op een eerlijk proces had geschaad en omdat het hof de staandehouding voldoende had gemotiveerd als rechtmatig.
Daarnaast werd de bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak bevestigd. Het hof had vastgesteld dat verdachte een vingerspoor had achtergelaten op een gestolen fles in een kelderbox waar de gestolen goederen waren aangetroffen. Ondanks het ontbreken van slijpresten op kleding en schoenen van verdachte, achtte het hof dit bewijs voldoende in samenhang met het tijdstip, locatie en signalement.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand bleef. De zaak illustreert de zorgvuldige afweging van bewijs en de toepassing van het recht op bewijsuitsluiting bij vermeende onrechtmatige staandehoudingen.