ECLI:NL:PHR:2016:422

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
16/01344
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 17 Rijkswet NederlanderschapArt. 14 lid 1 Rijkswet Nederlanderschap
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen intrekking Nederlanderschap wegens formele rechtskracht

Verzoeker, geboren in India en sinds 1990 in Nederland gevestigd, kreeg in 1998 het Nederlanderschap verleend. Dit Nederlanderschap werd in 2009 ingetrokken wegens verzwijging van relevante feiten tijdens de naturalisatieprocedure. Verzoeker maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en werd in een daaropvolgend bestuursrechtelijk beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

In 2015 verzocht verzoeker de rechtbank om het Nederlanderschap vast te stellen op grond van artikel 17 Rijkswet Pro Nederlanderschap. De rechtbank wees dit verzoek af vanwege de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit en het feit dat een voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstond, welke verzoeker ook heeft gevolgd.

Het cassatieberoep van verzoeker richtte zich tegen deze afwijzing en stelde dat het beginsel van formele rechtskracht niet absoluut is, vooral omdat verzoeker door de intrekking staatloos is geworden. De Hoge Raad oordeelde echter dat er geen sprake was van schending van fundamentele rechtsbeginselen in de bestuursrechtelijke procedure en verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege de formele rechtskracht van het intrekkingsbesluit en de voldoende waarborgen in de bestuursrechtelijke procedure.

Conclusie

Zaak 16/01344
Mr. P. Vlas
Zitting, 20 mei 2016
inzake: Conclusie inzake art. 80a
[verzoeker]
(hierna: verzoeker)
tegen
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid & Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
(hierna: de Staat)
1. In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Verzoeker is op 1 april 1958 te Bhajjal (India) geboren en heeft zich op 14 april 1990 in Nederland gevestigd. Bij Koninklijk Besluit van 26 mei 1998 is aan hem het Nederlanderschap verleend. Bij beschikking van 3 februari 2009 van de Minister van Justitie is het besluit tot verlening van het Nederlanderschap ingetrokken op grond van art. 14 lid 1 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) in verband met verzwijging van relevante feiten in de vreemdelingen- en naturalisatieprocedure. Verzoeker heeft tegen deze intrekking bezwaar gemaakt, welk bezwaar door de Minister bij beschikking van 10 juni 2009 ongegrond is verklaard. Verzoeker is in zijn daartegen gerichte beroep door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector bestuursrecht, bij uitspraak van 20 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij in het beroepschrift geen gronden van beroep heeft opgenomen en dit verzuim ook nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet heeft hersteld. Op 3 juli 2015 heeft verzoeker zich tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN Pro.
2. Bij beschikking van 10 december 2015 heeft de rechtbank verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het intrekkingsbesluit van 3 februari 2009 formele rechtskracht heeft gekregen (rov. 5.1). Tegen dat intrekkingsbesluit heeft een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter opengestaan, die door verzoeker ook is gevolgd (rov. 5.2).
3. Tegen de beschikking van de rechtbank heeft verzoeker (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 5.1 en 5.2 van de bestreden beschikking en betoogt dat het beginsel van formele rechtskracht niet absoluut is. Volgens het middel is er ruimte voor een uitzondering op dit beginsel indien de toepassing daarvan strijdig is met andere, fundamentele rechtsbeginselen. Nu verzoeker door intrekking van het Nederlanderschap staatloos is geworden, is van schending van een dergelijk fundamenteel rechtsbeginsel sprake, aldus de klacht. Ten slotte voert het middel aan dat de beslissing van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat zij in het geheel niet is gemotiveerd.
4. De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. Voor het maken van een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht is in de onderhavige zaak geen plaats, omdat niet geoordeeld kan worden dat in de procedure bij de bestuursrechter die het besluit tot intrekking van de naturalisatie van verzoeker in stand heeft gelaten, in strijd is gehandeld met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. [1] De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter heeft opengestaan. Aan het middel kan worden toegegeven dat nationaliteit essentieel is in het maatschappelijk leven, maar hieraan doet niet af dat een rechtsgang bij de bestuursrechter tegen de intrekking van het naturalisatiebesluit heeft opengestaan en verzoeker in die procedure de argumenten heeft kunnen aanvoeren tegen die intrekking. Verzoeker heeft in 2009 van die rechtsgang gebruik gemaakt, maar is door te verzuimen beroepsgronden aan te voeren destijds niet-ontvankelijk verklaard. Het thans in cassatie bestreden oordeel van de rechtbank is derhalve juist en begrijpelijk.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:3167, NJ 2005/131. Zie ook J.A.M. van Angeren, Gewone rechter en bestuursrechtspraak, 2015, nr. 44-45.