Conclusie
onderdeel 1wordt in de eerste plaats betoogd dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat [verzoekster] haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen en dat het om verwijtbare tekortkomingen gaat. In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat de toerekenbare tekortkomingen, voor zover aanwezig, gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing hadden dienen te blijven, althans dat uit de motivering niet, althans niet duidelijk genoeg volgt waarom het hof anders heeft kunnen oordelen.
Verder blijkt uit rov. 3.9.2 en 3.9.3 van het arrest dat het hof van oordeel is dat sprake is van wezenlijke tekortkomingen. Daaruit volgt dat van de situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw Pro geen sprake is. Dit oordeel is, gelezen in samenhang met hetgeen het hof ten aanzien van het bestaan van de tekortkomingen heeft overwogen, voldoende gemotiveerd. [1] De beantwoording van de vraag of van een situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw Pro sprake is, is van feitelijke aard en kan in cassatie niet worden beoordeeld.
onderdeel 2wordt aangevoerd dat het weigeren van een schone lei getuigt van ‘excessief formalisme’ van het hof, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel was verlenging van de schuldsaneringsregeling aangewezen. Ter toelichting wordt verwezen naar de overgelegde informatie betreffende de gezondheidssituatie van [verzoekster] .