ECLI:NL:PHR:2016:441

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
1 juni 2016
Zaaknummer
16/00632
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 354 lid 1 FwArt. 354 lid 2 FwArt. 349a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei wegens nieuwe schulden en informatieplichtschending

De schuldsaneringsregeling van verzoekers, uitgesproken op 15 oktober 2012, werd in eerste aanleg beëindigd zonder verlening van de schone lei. Dit omdat verzoekers nieuwe schulden van €8.873,17 hadden laten ontstaan bij hun ziektekostenverzekeraar en de belastingdienst, en zij tekort waren geschoten in hun informatieplicht. De rechtbank oordeelde dat deze tekortkomingen toerekenbaar waren en niet buiten beschouwing konden blijven, ook niet bij betalingsregelingen.

Het hof bekrachtigde dit oordeel en verwierp het verzoek tot verlenging van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een concreet plan om de nieuwe schulden binnen de verlengingstermijn af te lossen. De door verzoekers overgelegde betalingsbewijzen werden onvoldoende geacht als bewijs voor een betalingsregeling.

In cassatie klaagden verzoekers dat het hof ten onrechte de betalingsbewijzen niet als valide bewijs had aangenomen en dat het hof de verlengingstermijn onjuist had geweigerd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden, omdat het hof een waardering van feiten had gemaakt die aan hem toekomt en de discretionaire bevoegdheid tot verlenging terecht was toegepast.

De Hoge Raad benadrukte dat de schending van de informatieplicht een zelfstandige en niet bestreden grond was voor het niet verlenen van de schone lei. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei bevestigd.

Conclusie

16/00632
mr. G.R.B. van Peursem
26 april 2016
Conclusie inzake:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoekster 2],
(hierna: [verzoekers]),
verzoekers tot cassatie.
1. De toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 15 oktober 2012 ten aanzien van [verzoekers] is uitgesproken, is in eerste aanleg beëindigd zonder verlening van de zogenoemde schone lei, omdat [verzoekers] (i) bovenmatige nieuwe schulden hebben laten ontstaan aan hun ziektekostenverzekeraar en aan de belastingdienst van in totaal € 8.873,17 en (ii) zijn tekortgeschoten in de nakoming van de op hen rustende informatieverplichting [1] . Dat leverde volgens de rechtbank toerekenbare tekortkomingen op in de nakoming van verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling in de zin van art. 354 lid 1 Fw Pro, die niet volgens lid 2 van dat artikel buiten beschouwing dienden te blijven; ook niet, indien er betalingsregelingen zouden zijn getroffen voor de nieuwe schulden, omdat deze schulden daarvoor te omvangrijk zijn volgens de rechtbank.
2. Het hof heeft deze beslissing op dezelfde gronden bekrachtigd [2] . Voor zover in cassatie nog van belang is het hof in zijn arrest van 28 januari 2016 ingegaan op de bij brief van 15 januari 2016 aangevoerde stelling van de raadsman van [verzoekers] dat zij betalingsregelingen hebben getroffen met CZ en de belastingdienst. Die stelling acht het hof onvoldoende deugdelijk onderbouwd met de bij de zo-even genoemde brief in het geding gebrachte foto’s van een computerbeeldscherm waarop is te zien dat op 5 november 2015 en 9 december 2015 een bedrag is betaald aan de belastingdienst van € 156,- en een bedrag van € 100,- aan CZ (rov. 3.5.2). Verder acht het hof geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen zoals door [verzoekers] verzocht, omdat zij geen concreet plan van aanpak hebben overgelegd om de nieuwe schulden integraal af te lossen binnen de verlengingstermijn van twee jaar en hun raadsman desgevraagd heeft verklaard niet te kunnen aangeven of dat daadwerkelijk mogelijk is binnen die termijn (rov. 3.5.5).
3. Namens [verzoekers] is hiertegen tijdig een cassatieverzoekschrift ingediend [3] . Het middel bestaat uit twee onderdelen, gericht tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van het hof.
Voor zover voldoend aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, klaagt
onderdeel 1dat [verzoekers] een op een computerscherm weergegeven kopie van een betalingsregeling hebben ingebracht en dat dit een valide gegevensdrager vormt die onder de huidige omstandigheden algemeen aanvaard wordt als bewijs. Dat brengt mee dat ten onrechte of onbegrijpelijkerwijs is geoordeeld dat sprake is van tekortkomingen in de zin van art. 354 lid 1 Fw Pro, die niet volgens lid 2 van dat artikel buiten beschouwing moeten blijven, op grond waarvan vervolgens geen schone lei is verleend.
Onderdeel 2klaagt dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof de termijn van de schuldsaneringsregeling niet heeft verlengd. Het hof zou hebben miskend dat er bij verlenging een inspanningsverplichting op [verzoekers] rust die meebrengt dat, ook al ligt er geen concreet aflossingsplan, er toch naar integrale aflossing moet/zal worden gestreefd.
Verder klaagt onderdeel 2 (in de sleutel van: “het vorengaande laat onverlet”) over strijdigheid met de
paritas creditorum, doordat in rov. 3.5.5 bijkomend is overwogen dat de raadsman van de schuldenaren ter zitting niet kon aangeven of de bovenmatig gemaakte schulden in een eventuele verlengingsperiode konden worden afgelost.
4. Deze klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Onderdeel 1 mist feitelijke grondslag: op de door [verzoekers] ingediende foto van een computerscherm is geen
betalingsregelingte zien, maar een
mutatieoverzichtvan een bankrekening (overigens zonder dat te zien is welke bankrekening en op wiens naam deze staat), waarin op de door het hof genoemde data enkele overboekingen naar CZ en de belastingdienst zichtbaar zijn. Bovendien heeft het hof niet de foto’s afgewezen omdat het geen valide gegevensdragers zouden zijn. Het hof vond de overboekingen een onvoldoende deugdelijke onderbouwing voor het bestaan van een betalingsregeling. Dat oordeel berust op een waardering van de gedingstukken die aan het hof als feitenrechter is voorbehouden, en is geenszins onbegrijpelijk.
6. Onderdeel 2 ziet in de eerste plaats over het hoofd dat de bevoegdheid om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen (art. 349a Fw) een discretionair karakter heeft. Daarop ketst dit onderdeel al af. De gegeven motivering voor afwijzing van het verlengingsverzoek in rov. 3.5.5 is dat [verzoekers] geen concreet plan van aanpak hebben overgelegd hoe zij voornemens zijn de nieuwe schulden integraal af te lossen indien zou worden verlengd met maximaal twee jaar. Dat oordeel is aan de feitenrechter voorbehouden, draagt deze afwijzing zelfstandig en daartegen is geen cassatieklacht gericht.
Bij die stand van zaken ontbreekt belang bij de andere klacht van onderdeel 2, die bovendien is gericht tegen een niet zelfstandig dragende grond.
7. Ik merk ten slotte op dat de cassatieklachten alleen zien op de aspecten nieuwe bovenmatige schulden en niet verlengen van de termijn, maar niet opkomen tegen de zelfstandig dragende grond voor het niet verlenen van een schone lei gelegen in schending van de op de schuldenaren rustende informatieverplichtingen. Immers, in rov. 3.5.3 komt het hof tot
“de slotsom dat [verzoekers] zich niet hebben gehouden aan de aan hen opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting, terwijl zij daarnaast gedurende de termijn van de schuldsaneringsregeling voor een aanzienlijk bedrag aan bovenmatige nieuwe schulden hebben laten ontstaan. (...)”
In rov. 3.5.4 vervolgt het hof dan met:
“Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [verzoekers] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. (...)”
De in cassatie niet aangevallen schending van hun informatieverplichtingen is zodoende mede dragend voor dit oordeel.
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Zie de gelijkluidende vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 4 december 2015, zaaknummers C/01/12/509 R en C/01/12/210 R.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2016, zaaknummer 200.181.972/01.
3.Er is geen gebruik gemaakt van het daarin gemaakte voorbehoud tot aanvulling na ontvangst van het p-v van de mondelinge behandeling in appel.